De export van het Atheense toneel

Het jubileumboek van het Nederlands Klassiek Verbond gaat over de grote tragici, de eerste acteur, het eerste decor en meer ‘antiek’ toneel.

Medea staat op het punt haar zoontjes te vermoorden, een roodfigurige Zuiditalische vaasafbeelding (ca. 300 v. Chr.) Uit besproken boek

Wat je ook mag denken van de oude Grieken en Romeinen, ze weten de aandacht wél vast te houden. Al een eeuw of zes. En terecht, want wie zich in de antieke culturen verdiept, vindt steeds weer iets om zich over te verbazen en van te genieten. Veel fans zijn lid van het Nederlands Klassiek Verbond, dat dit jaar vijfenzeventig jaar bestaat, en lezen het daarmee geaffilieerde tijdschrift Hermeneus, dat nog tien jaar ouder is.

Vanouds geven beide handen en voeten aan het Renaissance-denkbeeld dat je door kennis van de oude wereld het betrekkelijke leert zien van je eigen tijd, en wat wijsheid opdoet. Beide geloven bovendien in het mooie zeventiende-eeuwse ideaal dat het genot van deze kennis, het verworven inzicht en de ontdekkingsvreugde niet het privilege moeten blijven van een geleerde elite, maar bereikbaar dienen te zijn voor iedereen.

Hoe het NKV en Hermeneus de daad bij het woord voegen, blijkt uit het aantrekkelijke jubileumboek Toneel in de Oudheid, dat grotendeels is geschreven door de Amsterdamse classicus Hein van Dolen. In drie hoofdstukken vertelt hij over het Atheense toneel, waarna hij wat meer ingaat op de tragici Aischylos, Sofokles en Euripides en de komediedichters Aristofanes en Menandros. Het zijn hoofdstukken vol ‘eerstes’: hoe uit de koorzang in de Dionysoscultus de eerste tragedies ontstonden, hoe Aischylos voor het eerst een tweede acteur ten tonele voerde en hoe Sofokles daar voor het eerst een derde aan toevoegde, hoe de eerste decors werden gebouwd, hoe de eerste toneelmachines werden gebruikt om goden zwevend te laten verschijnen en hoe Aristofanes het komische effect van zo’n vliegende opkomst voor het eerst uitbuitte.

Van Dolen schrijft het met verve bij elkaar, neemt de gelegenheid te baat enkele misverstanden te weerleggen – nee, de maskers die de acteurs droegen dienden niet als megafoon want de akoestiek in de antieke theaters was uitstekend – en heeft aandacht voor grappige details als de herkomst van enkele ook nog door ons gebruikte uitdrukkingen. ‘Men is nooit te oud om te leren’ is bijvoorbeeld afkomstig uit een tragedie van Aischylos.

Nieuwe taal

Het zijn lezenswaardige hoofdstukken, waarbij eigenlijk alleen valt aan te tekenen dat het wat jammer is dat het Griekse drama wordt beperkt tot dat van Athene. Omdat de overgrote meerderheid van de toneelteksten afkomstig is uit die stad, is dat geen ongebruikelijke of onverdedigbare keuze, maar je mist zo de gelegenheid iets te vertellen over bijvoorbeeld de Joodse Alexandrijn Ezechiël. Van zijn tragedie over Mozes en de Uittocht was al een flink deel bekend toen enkele jaren geleden een nieuw gedeelte werd ontdekt, wat duidelijk maakte hoe populair het stuk is geweest.

Ezechiël leefde in een andere wereld dan zijn Atheense voorgangers en zijn tragedie illustreert dat het genre zich liet overplanten naar een andere cultuur. Hij hield echter nog vast aan het Grieks. Niet veel later vond een radicalere verandering plaats: in Italië begon Livius Andronicus, van wie overigens geen complete stukken zijn overgeleverd, tragedies te schrijven in het Latijn. Een nieuwe cultuur én een nieuwe taal, maar hetzelfde genre.

Over het toneel in Rome gaat de tweede helft van Toneel in de Oudheid, met hoofdstukken over het Romeinse drama in het algemeen (Wolfgang D.C. de Melo), het theaterbedrijf (Patrick Gouw) en de tragedies van de filosoof Seneca (Hans Smolenaars). Ze tonen duidelijk hoe de Romeinse toneelschrijvers weliswaar hun Griekse klassieken kenden, maar bepaald geen slaafse epigonen waren.

Ook in de drie Romeinse hoofdstukken worden misverstanden opgeruimd, is ruimte voor allerlei aardige details en komt de herkomst aan de orde van zegswijzen die ook wij gebruiken: van de Romeinse komediedichter Plautus komt de uitdrukking dat ‘het hemd nader is dan de rok’.

Het Atheense toneel werd door auteurs als Ezechiël overgeplant naar een andere cultuur, door Livius Andronicus naar een andere taal en in de Renaissance naar ons. De auteurs van Toneel in de Oudheid verwijzen een enkele keer naar onze eigen traditie, maar laten dit onderwerp rusten. Er zullen lezers zijn die vinden dat zo onvoldoende blijkt waarom kennis van de Oudheid ook voor ons actueel is, en voor die kritiek is iets te zeggen. Ze is echter tevens wat misplaatst, want als er één ding blijkt uit dit mooie jubileumboek, is het wel dat het tijdperk ook op zichzelf al fascinerend genoeg is.