Broeinest van kunstzinnigheid

Zelden rijpen in één familie zoveel grote talenten. Dat lag aan aan de sturing van pater familias en componist Hendrik Andriessen.

Nederland, Utrecht. Componist Hendrik Andriessen (1892-1981) geeft in november 1950 pianoles aan zijn jongste zoon, Louis (1939). Fotograaf onbekend/Spaarnestad>

Hoe kan het toch dat één familie binnen luttele generaties hoogbegaafde componisten, musici, schrijvers en een beeldhouwer voortbrengt? Op die vraag probeert musicologe en muziekjournalist Agnes van der Horst een antwoord te geven in de familiebiografie De Andriessens.

Eén van de vele familieplaatjes in het boek geeft al een aardige hint. Op de foto uit 1952 staan de drie hoofdrolspelers. We zien pater familias Hendrik Andriessen achter de vleugel, een innemende man met een pijp. Hij speelt quatre-mains met zijn flamboyante zoon Jurriaan, die een sigaret nonchalant tussen de lippen laat hangen. Over hun schouder kijkt nakomertje Louis Andriessen gebiologeerd mee. Dat dit een warme muzikale familie is waar kunstvorming met zachte maar sturende hand wordt bedreven, wil je meteen geloven.

Dat het succes van de Andriessens te danken is aan een combinatie van genen en een stimulerende omgeving, is ook de voor de hand liggende conclusie van Van der Horst. Ze streefde geen diepgaande biografische of musicologische analyse van de familie Andriessen na, maar wilde (vooral gebruik makend van de archieven van het Nederlands Muziekinstituut) een toegankelijk en journalistiek familieportret leveren. Het resultaat is een vlot leesbare, maar wel erg anekdotische geschiedenis, die leidt van het Utrecht van de crisis in de jaren dertig tot aan de compositie die Louis Andriessen in 2013 voor het Koninklijk Concertgebouworkest nog voltooien moet.

Hendrik Andriessen (1892-1981) is de zoon van een katholieke organist en een beeldend kunstenares. Dit blijkt reeds een broeinest van kunstzinnigheid. Hendriks broer Mari wordt beeldhouwer, gaat in WO II in het verzet en blijft daarna beroemdom zijn beeld De Dokwerker, ter herinnering aan de Februaristaking in Amsterdam. Zus Caecilia wordt pianist en pianopedagoge.

Hendrik is aanvankelijk verslaggever voor de Nieuwe Haarlemsche Courant. Wanneer hij op een avond in 1912 tijdens een telexdienst de ramp met de Titanic mist omdat hij onder werktijd componeert, lijkt een carrière als musicus en componist een betere keuze. De mystiek van het katholieke geloof en de ongrijpbare kunst van muziek vallen voor hem samen, getuige zijn vele religieuze composities. Van wagneriaanse dweepzucht is hij niet gediend: ‘Die Duitsers graven wel diep, maar ze vinden niets,’ zegt hij. ‘Fransen doen dat niet, want ze weten: de waarheid ligt net onder de oppervlakte.’

Warme man

Hendrik Andriessen wordt in De Andriessens omschreven als een warme man. Toch kon hij streng zijn: zoon Nico wil de muziek in maar mag dat niet (hij wordt architect), zoon Jurriaan wil juist niet, maar móet. Gelukkig maar. Jurriaan vertrekt naar het Tanglewood Festival nabij Boston, waar hij furore maakt met zijn Berkshire Symphonies (volgens Van der Horst in de stijl van ‘Stravinsky, gemengd met Franse lichtheid en Amerikaans optimisme’) en ontvangt complimenten van Aaron Copland en Leonard Bernstein. Met choreograaf George Balanchine werkt hij aan een prestigieuze dansvoorstelling in New York. Wie weet hoe het was afgelopen als Jurriaan Andriessen een permanent verblijfvisum had bemachtigd.

Hij moet in 1951 terug naar Nederland, waar hij enkele decennia redelijk populair blijft, maar zijn carrière eindigt met het componeren voor onder meer seniorenkoren. Na zijn dood in 1996 raakt hij bijna volledig vergeten, hoewel hij nog eerder dan zijn broertje Louis op extravagante wijze had geëxperimenteerd met genres en instrumentaties. Daarin schuilt een drama en het maakt Jurriaan tot de interessantste persoon van de biografie.

Natuurlijk is er ook nog Louis Andriessen, de grote componist die juist wél internationaal succesrijk wordt én blijft. Beïnvloed door jazz- en rockplaten die Jurriaan vanuit de VS meebrengt, laat Louis een hoeveelheid ‘lage’ cultuur toe in zijn schurende muziek die qua veelzijdigheid en decibellen ongehoord is. Vader Hendrik speelt een grote rol in zijn werk, bekent Louis na diens dood: ‘Altijd als ik zit te werken staat die man achter me. Hij is altijd in de buurt en dat heeft natuurlijk alles met die noten te maken. Ik ben heel erg doordrongen van wat hij noemde ‘de voortdurende verplichting ten opzichte van de schoonheid’ en het genot en de passie die je daaraan ontleent.’

Het is smakelijk lezen over de schandalen en successen die Louis vanaf de jaren zestig beleeft. Maar inmiddels begint de kritiekloze verslaggeving van Van der Horst dan lichtelijk te storen. Bij de Notenkrakersactie, waarbij in 1969 als pleidooi voor een modernere concertpraktijk een concert van het Concertgebouworkest wordt verstoord met ratels en toeters, kiest ze blindelings partij voor de actievoerders. Dat de dirigent van die avond, Bernard Haitink, ook een lans brak voor de nieuwste muziek, wordt nergens vermeld. En dat de roemruchte Nederlandse ensemblecultuur direct uit die actie zou voortvloeien is wel wat overdreven gesteld.

Arbeitseinsatz

Eerder al blijkt die vluchtige benadering van de biografie. Hendrik Andriessen, als Utrechts conservatoriumdirecteur een man van maatschappelijke waarde, werd in 1942 tijdelijk in gijzelingskamp Sint-Michielsgestel vastgezet. De rest van de oorlog bleef hij in functie en was er volgens een getuige sprake van een ‘hartverwarmende tijd’ op het conservatorium. Maar hoe ging Hendrik om met hulpbehoevende studenten, die voor de Arbeitseinsatz waren opgeroepen?

Voor een rijker verslag van de complexe omstandigheden had Van der Horst dieper in de oorlogsarchieven moeten duiken. Ze had zich ook gedetailleerder en persoonlijker mogen uitspreken over de composities. In plaats daarvan geeft ze vrij algemene beschrijvingen en citeert ze (zeker ook interessante) recensies en interviews. Het mag dan opmerkelijk zijn dat de meestal zo beheerste Hendrik Andriessen opeens de ‘furieuze opera’ Philomela schrijft, toch kom je over de muziek bijna niets te weten. Als Van der Horst prachtig beschrijft hoe de bijzondere akkoorden van Louis een gat lijken te hebben, ‘een ruimte die, als gist in brooddeeg, lucht geeft aan het geheel’, wil je daar graag meer over weten.

Ook het biografische aspect blijft vaak steken in luchtige verhalen. Immers: in huize Andriessen ‘werd niet gepraat over persoonlijke gevoelens en problemen’. Best leuk om te lezen over alle minder bekende of begaafde neven en nichten Andriessen, maar een kritischer blik en een diepgravender concentratie op de kunstwerken van de Andriessens hadden deze familie een nog grotere dienst bewezen.