'Breng het morele debat weer tot leven'

De onvrede over de politiek is groot, stelt de Amerikaanse populaire filosoof Michael Sandel vast. Vooral jonge mensen smachten naar een publiek debat over waarden. ‘Het marktdenken is geen alternatief voor de politiek.’

Nederland, Amsterdam, 11-04-2013 Michael Sandel, American political philosopher and a professor at Harvard University PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Met enige schroom laat hij me een fragment op YouTube zien: het college dat Michael Sandel vorig jaar gaf aan de Yonsei Universiteit in Seoul. Met meer dan dertienduizend studenten debatteerde Sandel, Harvard-hoogleraar en populair politiek filosoof, in de open lucht over de morele grenzen van het marktdenken, het onderwerp van zijn laatste boek, What Money Can’t Buy. Hij wil me duidelijk maken dat ook in landen als Zuid-Korea, waar het marktdenken oppermachtig heet te zijn, een grote behoefte aan publiek debat bestaat. „Opvallend veel mensen hebben behoefte aan discussie over grote vraagstukken, over ethische kwesties. Waar ik ook ga smachten vooral jonge mensen naar een openbaar debat over waarden. Volgens mij duidt dat op een wijdverbreide onvrede met de manier waarop het debat doorgaans wordt gevoerd. Onvrede ook over hoe de politiek met belangrijke vraagstukken omgaat. Het publieke debat is volledig uitgehold, men benadert belangrijke kwesties alleen nog maar op een technocratische of bestuurskundige wijze.”

Ik spreek Sandel tijdens zijn korte bezoek aan Amsterdam. Zo assertief en uitdagend als hij op een podium is, zo bescheiden en bedachtzaam is hij in een dialoog. Ik vraag hem waar die afkeer om in morele termen over belangrijke kwesties te debatteren vandaan komt.

„Allereerst omdat men beseft dat onze samenleving de afgelopen decennia pluralistisch is geworden. We zijn ons ervan bewust dat we verschillend denken over wat goed is, zowel in moreel, cultureel en spiritueel opzicht. Omdat we bang zijn onze waarden aan anderen op te leggen, proberen we het publieke domein zo neutraal mogelijk te houden. We vragen anderen hun morele overtuigingen af te geven bij de deur voordat ze de publieke ruimte betreden. Dat is begrijpelijk, maar verkeerd, want het publieke debat verschraalt erdoor. Het heeft ook tot gevolg dat de leegte die daardoor ontstaat gemakkelijk opgevuld kan worden door kleinzielige, intolerante overtuigingen van allerlei soorten fundamentalisten. Die hebben dan het rijk alleen. Dat is de paradox: juist onze schroom publieke discussies in morele termen te voeren, schept ruimte voor intolerante opvattingen.

„De tweede oorzaak is het triomfantelijke geloof in de markt, de overtuiging dat de markt instrumenteel is in het bewerkstelligen van wat goed voor ons allen is. Die overtuiging raakt ons bestaan nu op manieren die we vroeger niet voor mogelijk hadden gehouden. Omdat men denkt dat marktwerking neutraal is, verlost het ons van de noodzaak te onderhandelen over wat juist en goed is. Wanneer twee partijen tot een overeenkomst komen en tevreden zijn over het resultaat, dan heeft volgens die denktrant niemand het recht daarover te oordelen, en zeker niet de samenleving als geheel. Op die manier lijkt het marktdenken een alternatief voor een politiek van morele betrokkenheid. Er is dus een verband tussen de opkomst van het marktdenken en de uitholling van het publieke debat.”

In uw boek beschrijft u een groot aantal gevallen waarin aan mensen die niet gevoelig lijken voor morele argumenten geld geboden wordt, om hun gedrag te veranderen. Studenten krijgen van hun ouders geld om boeken te lezen, aan drugs verslaafde tienermoeders krijgen een bedrag aangeboden wanneer ze zich laten steriliseren. Zijn zulke dubieuze initiatieven niet ook geboren uit wanhoop?

„Omdat het niet lukt gedrag blijvend te veranderen door middel van overreding en bewustwording? Zeker, maar door geld te bieden koop je de oplossing van een probleem, zonder er moreel betrokken bij te zijn.”

Een van de redenen van uw succes lijkt me dat u uw studenten verantwoordelijk maakt voor hun eigen opvattingen, die ze moeten verdedigen en zonodig bijstellen. Ziet u ook in de samenleving een kentering?

„Wat me hoopvol stemt, is wijdverbreide onvrede over de huidige situatie. De politieke partijen zijn doorgaans de laatste die bereid zijn te veranderen. Ik hoop dat maatschappelijke organisaties en sociale bewegingen deze thema’s oppikken en de bouwstenen aandragen voor een nieuwe politiek, die zich durft uit te spreken over de publieke zaak. Uiteindelijk zal de politiek dan ook wel wakker worden. Ik ben er echt zeker van dat die behoefte om te debatteren over wat een rechtvaardige samenleving inhoudt, bij veel meer mensen leeft dan alleen bij studenten filosofie.”

U spreekt veel over ‘de publieke zaak’ en ‘de samenleving’. Het is duidelijk dat u de maatschappij niet ziet als slechts een verzameling individuen. Toch houdt u er niet van wanneer men u een communitarist noemt.

„Omdat dat etiket meestal op mij wordt geplakt door mensen die de wereld verdelen in degenen die voor de rechten van het individu zijn en degenen die het primaat van de gemeenschap bepleiten. Communitarisme kan volgens tenminste één definitie ervan inhouden dat de meerderheid beslist wat goed is voor iedereen. Dat is niet wat ik bepleit. Ik wil de discussie over wat goed is voor mensen en wat niet, terughalen naar het publieke debat. Ik ben van mening dat je onmogelijk kunt uitmaken wat rechtvaardig is en welke rechten een individu moet krijgen zonder een morele discussie te voeren over welke doeleinden je daarmee nastreeft. Mijn kritiek op een bepaalde vorm van op individuele rechten gebaseerd liberalisme richt zich daarop. Maar dat betekent niet dat ik vind dat individuen geen rechten moeten hebben en dat de meerderheid alles moet bepalen.”

Uw boek What Money Can’t Buy en uw eerdere boek The Case Against Perfection kun je beide zien als een oproep om maat te houden. In het eerste geval wat betreft de invloed van de markt, in het tweede op het gebied van de genetische manipulatie.

„In beide gevallen heeft men de neiging om door te schieten. Zowel de economie als de medisch-technologische ontwikkelingen worden gezien als instrumenteel, zodat het gevaar bestaat dat we aan alles in onze samenleving een prijskaartje hangen en onze natuur zien als iets dat we volledig naar onze hand kunnen zetten.”

Maar zijn mensen in staat om zich in te houden? Er zijn wetenschappers die ervan uitgaan dat alles dat wordt uitgevonden ook gebruikt zal worden. Ethiek wijkt dan voor eigenbelang.

„Ik ben daar niet optimistisch over, maar ik zie wel hoopvolle tekenen. Wat de invloed van het marktdenken betreft: er zijn zoveel mensen die zich daar wél zorgen over maken en naar een alternatief zoeken. Daarbij denk ik dat een samenleving die volledig door het marktdenken wordt beheerst, voor niemand bevredigend is, ook niet voor de mensen in de bovenste lagen, die het meest profiteren van de welvaart en de bijbehorende privileges.

,,De groeiende ongelijkheid van de afgelopen dertig jaar heeft ervoor gezorgd dat we steeds meer langs elkaar heen leven, dat we elkaar niet vaak meer treffen in de openbare ruimte. Dat doet afbreuk aan de democratie. Ik denk dat dit zelfs wordt gevoeld door mensen die het zich vanwege hun welvaart kunnen permitteren geen gebruik te maken van de slecht functionerende publieke voorzieningen. Ik vermoed dat ze diep in hun hart graag gebruik zouden maken van die voorzieningen, als de scholen, openbaar vervoer en bibliotheken van betere kwaliteit zouden zijn. De politiek zou dat gevoel kunnen aanspreken.”

Er zijn genoeg wetenschappers die zeggen dat mensen hun opvattingen niet door de rede laten bepalen. Jonathan Haidt in zijn boek The Righteous Mind stelt dat het emotie is die onze moraal bepaalt en niet andersom. Men klampt zich vast aan de groep. Bent u niet te optimistisch?

„Ik sta een beetje wantrouwend tegenover zulke pogingen om onze morele en politieke problemen in psychologische termen te vertalen. Vaak zijn ze gebaseerd op een te strenge scheiding tussen rede en emotie. Dat is te simpel. Daardoor zie je een belangrijk aspect van morele discussies over het hoofd. Een goede politicus spreekt mensen aan op hun gevoel en hun intuïtieve overtuigingen en laat hen zien wat de gevolgen daarvan zullen zijn wanneer die gerealiseerd worden. Het is een voortdurend heen en weer gaan tussen gevoel en rede. Dat is precies wat ik ook in mijn boeken en colleges nastreef. De rede staat niet los van wat we gevoelsmatig nastreven. Mijn rol als docent is studenten uit te nodigen uit te zoeken hoe hun individuele, intuïtieve emoties zich verhouden tot de principes die ze rationeel onderschrijven. Het gaat juist om dat samenspel.”

Wat je ziet bij de studenten die deelnemen aan uw colleges is dat ze zich door het debat zelf weten opgenomen in een gemeenschap. Juist in het uitwisselen van meningen ontstaat een gevoel van verbondenheid. Het straalt van hun gezichten.

„Ja, zelfs wanneer ze het niet met elkaar eens worden. Wanneer mensen zich gehoord voelen, het idee hebben dat hun opvattingen serieus genomen worden, ontstaat er een gemeenschappelijke ruimte. Je ziet dat aan zoveel boze meningen die mensen online de wereld in slingeren: daar ontbreekt die gedeelde ruimte volledig. Toen we mijn Harvard-colleges online zetten, openden we tegelijk een discussieforum waarin mensen verder konden debatteren. We hadden mensen die de boel in de gaten hielden, maar die waren nauwelijks nodig. Als je het gevoel hebt dat je gehoord wordt in een debat, is de neiging om te gaan schelden niet groot.”

U geeft les sinds 1980. Zijn uw studenten veranderd?

„Wat hetzelfde is gebleven, is hun bereidheid om zich in de politieke filosofie te storten. Ze doen dat met dezelfde overgave als studenten vroeger. Ze zijn nog altijd bereid hun eigen overtuigingen ter discussie te stellen. Wat me wel opvalt, is dat studenten, algemeen gesproken, tegenwoordig meer dan vroeger het gevoel hebben dat ze alles op eigen kracht hebben gedaan. Ze zien het als hun persoonlijke verdienste dat ze aan een prestigieuze universiteit studeren, alsof sociale factoren daar nauwelijks of geen rol bij spelen. Ze houden er sterk meritocratische opvattingen op na. Let wel, deze studenten waren nog niet geboren toen Ronald Reagan president was. Ze kennen geen andere samenleving dan die waarin het marktdenken de toon aangeeft. Het vereist een flinke inspanning om hen ervan te overtuigen dat ze niet alles slechts aan zichzelf te danken hebben. De almaar toenemende nadruk op individuele verantwoordelijkheid heeft invloed op onze moraal, daar ben ik van overtuigd. Het laat weinig ruimte voor nederigheid. En het heeft een negatief effect op ons sociale en politieke leven.”

Michael J. Sandel: Niet alles is te koop; de morele grenzen van marktwerking. Ten Have, 288 blz. € 19,95