Assad gelooft in zege met hulp van zijn hechte, strijdlustige vrienden

Buitenlandse partijen zijn intussen de drijvende krachten geworden in de burgeroorlog in Syrië. Dat werkt in het voordeel van president Assad. Zijn bondgenoten zijn niet verdeeld en wél strijdlustig. Voorop in de strijd gaat de Libanese shi’itische Hezbollah-leider Nasrallah.

Half maart 2011 gingen in de afgelegen, stoffige Syrische stad Deraa een paar honderd boze familieleden de straat op, om te protesteren tegen het oppakken en folteren van hun kinderen die graffiti tegen het regime op muren hadden gekalkt. Het leger probeerde hen naar huis te schieten. Het was het begin van de Syrische opstand.

Deze week liet de Europese Unie het wapenembargo tegen Syrië verlopen en maakte zo wapenleveranties door lidstaten aan ‘gematigde’ groepen opstandelingen mogelijk. Rusland reageerde daarop met de mededeling dat het zijn bondgenoot en wapenafnemer Bashar al-Assad nu zeker de eerder toegezegde S-300 luchtdoelsystemen ging leveren, „om buitenlandse inmenging te helpen voorkomen”.

Israël waarschuwde meteen dat het die bij aankomst zou bombarderen, zoals het recentelijk nog een Syrisch wapentransport naar Hezbollah vernietigde. Het beschouwt deze geavanceerde raketten als bedreiging voor zijn eigen veiligheid. Alleen supermacht Amerika beperkt zich vooralsnog tot een rol in de marge; zijn beleden liefde voor de oppositie blijft grotendeels platonisch. Er wordt enige financiële steun geleverd, maar zelfs de diplomatieke rol van de Verenigde Staten blijft bescheiden.

Deze aankondigingen, reacties en waarschuwingen onderstrepen hoe vergaand de buitenwereld in twee jaar tijd betrokken is geraakt bij de intussen geheel uit de hand gelopen opstand. Er vielen minimaal 80.000 doden, sommige bronnen menen dat het aantal al ruim boven de 100.000 ligt. Steeds meer worden buitenlandse bondgenoten van beide zijden drijvende kracht van de oorlog.

Een van de belangrijkste spelers is Hassan Nasrallah, leider van de machtige Libanese organisatie Hezbollah. Luister nog eens naar de toespraak over Syrië die hij vier weken geleden hield – een sleutelmoment in het Syrische conflict. Na een bezoek aan Iran kondigde hij in Beiroet in een toespraak tot zijn aanhang aan dat de „vrienden van Syrië” niet zullen toestaan dat Assads regime ten val komt – wat Hezbollah in grote problemen zou brengen. Hij suggereerde dat Iran zo nodig troepen zal sturen. Hezbollah vocht toen al mee met het Syrische regeringsleger in de strijd om het strategische stadje Qusayr.

Dit weekeinde ging Nasrallah nog verder. Hij bevestigde met zoveel woorden dat zijn troepen al meevochten naast het Syrische regeringsleger – hij kon ook nauwelijks anders, want iedereen kon zien dat tientallen van zijn strijders in lijkkisten in Libanon terugkwamen van de strijd rond Qusayr. Maar het ging hem er niet meer om Assads nederlaag te voorkomen; hij verklaarde dat zijn strijders in Syrië blijven, wat de consequenties ook zouden zijn, „tot het einde van de weg”, en dat is: „de overwinning”.

Op Rusland na zijn alle vrienden van Assad shi’itisch. Op zich is dit geen religieus verbond; Assads regime komt weliswaar voort uit een shi’itische minderheidsgroep, de alawieten, maar de Iraans-Syrische alliantie rust oorspronkelijk op de gedeelde vijandschap jegens de Iraakse sterke man Saddam Hussein.

Hezbollah heeft volgens Franse inlichtingendiensten 3.000 tot 4.000 man in Syrië ingezet. Iran levert op grote schaal geld (deze week een krediet van 4 miljard dollar), wapens, training en adviseurs; tot dusverre zijn claims dat Iran eveneens gevechtstroepen heeft gestuurd, niet bewezen. Het door shi’ieten gedomineerde Iraakse bewind speelt een belangrijke rol door dringende Amerikaanse verzoeken te negeren om de Iraanse wapenpendel door zijn luchtruim te blokkeren. De omverwerping van Saddam Husseins regime heeft Washington geen vriend in Bagdad opgeleverd. Aan Assads kant vechten ook Iraakse shi’ieten mee – bewijs daarvoor vormen, net als in het geval van Hezbollah, de lijkkisten die terugkeren.

Sunnitische landen op hun beurt zijn de steunpilaren van de rebellen. Al een paar maanden na het begin van de opstand werd Syrië tevens slagveld van het bredere conflict tussen de sunnitische Arabische Golfstaten en Iran, een conflict over regionale invloed. Voor de Golfstaten, Saoedi-Arabië en Qatar voorop, was en blijft de opstand immers een niet te missen kans om het gevreesde en assertieve Iran uit het hart van de Arabische wereld te verdrijven. En als de sunnitische meerderheid in Damascus aan de macht zou komen, zou dat ook het einde betekenen van de Iraanse wapentoevoer via Syrië naar Hezbollah en leiden tot een mogelijk fatale verzwakking van de shi’itische organisatie die nu de sterkste partij in Libanon is.

In die tijd begonnen Qatar en Saoedi-Arabië wapens en geld te sturen voor de rebellen, met assistentie van het eveneens sunnitische bewind in Turkije. Maar behalve wapens stromen de laatste maanden ook buitenlandse sunnitische jihadisten naar Syrië. Uit Europa, maar in aanzienlijk groteren getale uit Arabische landen – Saoedi-Arabië, Tunesië. Maar ook uit Irak, waar de sunnitische minderheid strijders stuurt die in Syrië tegenover Iraakse shi’itische hulptroepen kunnen komen te staan.

Door de gruweldaden van het Syrische regime, de komst van buitenlandse shi’itische hulptroepen en de toestroom van deze sunnitische jihadisten wordt de oorlog nu in toenemende mate ook een religieus conflict van sunnieten tegen shi’ieten, naast de opstand van oppositie tegen regime en de oorlog tussen Iran en de Golfregio. Tot ver buiten de grenzen groeien hierdoor de sektarische spanningen. Deze week riepen Egyptische jihadisten sunnieten op aanslagen te plegen in door shi’ieten geleide landen, in antwoord op het offensief van Assads leger en Hezbollah bij Qusayr.

Maar de hulp van de sunnitische landen aan de rebellen weegt lang niet op tegen de steun die het regime ontvangt uit Rusland en shi’itische bronnen. Niet alleen doordat hun wapens lichter zijn dan het zware materieel dat Assads bewind bezit en krijgt en doordat de sunnitische jihadisten niet zijn opgewassen tegen de strijders van Hezbollah. Het komt ook doordat Rusland, Hezbollah en Iran eensgezind zijn in hun toewijding aan Assad, terwijl Saoedi-Arabië en Qatar rivaliserende rebellen- en oppositiegroepen steunen en daarmee de bestaande verdeeldheid versterken. Groot-Brittannië en Frankrijk op hun beurt zijn bang voor de extremistische groepen, weer een andere verstorende factor onder de rebellen, die een steeds prominentere rol spelen, en willen alleen „gematigde rebellen” helpen.

Een en ander komt tot uiting in openlijk geruzie tussen rebellen onderling en tussen rebellen en politieke oppositie, en in de recente terreinwinst voor het regime, zoals bij Qusayr – maar lang niet alleen daar. En in de zelfverzekerde uitspraken uit Damascus dat Assad volgend jaar kandidaat is bij de presidentsverkiezingen, en graag nog een termijn doorgaat.