Angst voor een innerlijke zwerm

In het beeldenarsenaal van Maria Barnas is de wereld bekend én bizar. ‘Als je je hoofd schudt, beweegt de kamer.’

Sommige dichters hebben een voorkeur voor motto’s. Een geliefd voorbeeld uit de wereldliteratuur krijgt dan een ereplaatsje vóór in een bundel. Doorgaans is zo’n citaat overbodig, want niet meer dan sier. Maar niet bij Maria Barnas. Haar derde dichtbundel, Jaja de oerknal, opent met een drieregelig citaat uit het vijfde deel van The Waste Land van T.S. Eliot. ‘Who are those hooded hordes swarming,’ luidt de laatste regel daarvan. Bij Eliot zet die zin zich voort in volgende regels, maar voor Barnas volstaat dit fragment, met het accent op ‘swarming’.

‘Zwerm’ en ‘zwermen’ zijn sleutelwoorden in Jaja de oerknal. Het titelgedicht is er meteen al duidelijk over. ‘Angst is een zwerm die rust in een boom,’ stelt Barnas in het tweede couplet ervan. ‘Het is een vorm // van paniek die opwelt in mij en als opvliegende / zwerm uit mijn keel breekt.’ En daarmee ligt een tweede sleutel voor deze bundel op tafel: angst. Hoe veelvoudig die zich vermommen kan, toont het vier pagina’s lange ‘Waar men bang voor is’. Dit gedicht biedt een wervelende opsomming van dreigingen. ‘Ik wil in mijn nieuwe bundel laten zien welke vormen angst kan aannemen,’ meldde Maria Barnas in een interview met Remco Ekkers in de Poëziekrant (maart 2013). ‘Ik stel me angst voor als een zwerm die zich onvoorspelbaar gedraagt in je binnenste, maar die ook de buitenwereld – tot en met de politiek – beheerst.’

In haar vorige bundel, Er staat een stad op (2007), raakte Barnas de kern terwijl ze rafels opriep. Ook nu zoomt haar camera niet zomaar in. De zwerm biedt niet dadelijk een fixatiepunt. Dat vraagt een omweg, zoals in ‘Het denken en het meisje’. ‘Weilanden en huizen verglijden in mijn ooghoek,’ vertelt dit vers, ‘terwijl ik me probeer te concentreren op het meisje / dat tegenover me zit. Er past veel in een ooghoek.’ Kijken is dan ook moeizaam keuzes maken uit het zwermende totaal. Hoe verrassend Barnas dit keuzeprobleem in beeld kan brengen, bleek zonneklaar uit haar columns in deze krant, in 2010 gebundeld in Fantastisch. Het blijkt ook uit de gedichten in Jaja de oerknal. Een mooi voorbeeld (en ook nog een overtuigend goed vers) is ‘Het precieze kind’.

Onder het projectiescherm dat iets groter dan 1:1

een meisje laat zien dat pianospeelt zit een meisje

dat kleiner dan 1:1 precies pianospeelt.

Het gladde zwarte haar met een liniaal op de rug

gesneden. Ze kan niet spelen en lachen tegelijkertijd.

Kan iemand het nauwgezette kind naar huis brengen?

Onder haar jurk komt een rode geplooide rok

tevoorschijn. Het is de zoom van een gordijn

dat het spel van de wereld moet scheiden.

Wanneer een dichter tussen ijsschotsen van mdf

op het podium laat vallen: ‘Vaders. Hoe raak je ze aan?’

weet ik niet waar de voorstelling begint.

Ik aai 1:1 de grijze haren van de man die voor mij zit.

Hij kijkt niet om. Men streelt hem mogelijk

wel vaker de haren. Of zou hij mij verbeelden.

De piano speelt een meisje een meisje.

Dit gedicht heeft een hoog Droste-verpleegstergehalte. (een verpleegster met een blad waarop een Droste cacaobusje, waarop een verpleegster met…). Er gebeurt ook veel in deze zestien regels. De blik verschuift dan onophoudelijk, en daarmee de aandacht.

Beschrijft het gedicht een herinnering? De volgende verzen lijken dat te bevestigen. Daarin beschrijft Barnas gebeurtenissen uit haar jeugdjaren in Lochem en Amsterdam. En ze schrijft over uitheemse plaatsen, zoals het IJslandse Vatnajökull (‘Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven?’) Of over ‘Plaatsen’ die de vraag oproepen ‘Wat doen we hier? […] Het lekt / herinneringen aan gebeurtenissen / die ik nooit heb meegemaakt.’

In het beeldenarsenaal van Maria Barnas is de wereld bekend én vreemd. ‘Als je je hoofd schudt, beweegt de kamer. Dat is wat je ziet,’ stelde ze in het interview in de Poëziekrant. Die opmerking betrof haar gedicht ‘Der Doppelgänger’, maar ook algemeen toepasselijk op ons kijken en zien. De titelcolumn van Fantastisch opent met een hilarisch voorbeeld van visuele voorwaardelijkheid. ‘In mijn ooghoek,’ schreef Barnas, ‘zie ik een stokbrood bewegen. Wanneer ik beter kijk is het een harig stokbrood. En wanneer ik me realiseer dat het niet waarschijnlijk is, zie ik een kat.’

Ook als dichter vertelt Maria Barnas veel over het onvermogen van ogen en woorden. Al doende biedt ze openbarende ogenblikken, zoals in de beginregels van ‘Kijk’:

Ik werp een blik uit het raam alsof dit kijken

een steen is terwijl jij een vis vraagt.

Een lichte van ooghaar opschrikkende kei

die zich zou kunnen richten op de spartelende

angst waar ik geen ander woord voor weet

Na lezing van Jaja de oerknal wordt kijken een nieuwe bezigheid.