Alles voor de kunst

Edwin Hopster is verslingerd aan het werk van de onbekende schilder Pieter van Goudzwaard Hij doet er echt alles aan om de collectie bij elkaar te houden Reconstructie van een uit de hand gelopen hobby

Foto Peter de Krom

Verslaggever

Zijn shirt is nat. Edwin Hopster, overgoten met spiritus, pakt een aansteker. Hij dreigt zichzelf in de fik te steken. Buiten staat de brandweer, binnen loopt het vol met mannen in spijkerbroek en dikke trui. Het uniform, weet hij, van de agent in burger.

Netjes draait Hopster de dop weer terug op de fles. „Als de brandweer bezwaar heeft”, zegt hij, „zet dan de deur open zodat het kan luchten”.

De spiritus gebruikt Hopster normaal om lijmresten te verwijderen bij het bekleden van luidsprekers. Des te ongelukkiger dat het decor van zijn daad, high-end speakerwinkel The Pied Piper in Haarlem, niets met dit voorval te maken heeft. De winkel hebben Tessa van Veen (36) en Edwin Hopster (51) slechts overgenomen van Tessa’s vader, na diens herseninfarct vorig jaar.

In de lokale media heette Hopster na zijn daad op 12 februari ‘De Spiritusman’. Geschrokken leveranciers en vaste klanten hielden sindsdien wat afstand. En binnenkort zal hij zich voor de rechter moeten verantwoorden voor zijn spiritusactie.

Met speakers had zijn daad zoals gezegd niets te maken. Het ging Hopster om de kunstcollectie. Niet zijn collectie, die van de stichting die hij heeft opgericht en beheert. Waar het op neerkomt: onfortuinlijk ondernemersavontuur levert bankschuld ad 485.222,56 euro op. Deurwaarder dringt winkel binnen en trekt ‘roekeloos’ Hopsters ‘kinderen’ van de muur. Terwijl die werken niet van hem zijn, maar van de stichting en dus nooit tot het onderpand konden behoren.

„Al moet ik sterven voor mijn collectie, die schilderijen blijven hier.” Hopster verheft zijn stem. Van Veen, die ernaast staat, blijft kalm. Ze weet hoe Edwin in elkaar steekt. Dat hij het doet, als het moet. Alles voor de kunst. Maar zolang hij in gesprek is, zal er weinig gebeuren. „Ed, nu even geen sigaretje opsteken.”

Hoe bepaal je waarde van kunst?

Wat is de waarde van kunst*? Doe een afstandsbediening in een kopje koffie en vind, zoals Damian Hirst*, een investeerder die er grof voor betaalt. Kunst, wil Hopster maar zeggen, heeft geen intrinsieke waarde. Kunst wordt gewaardeerd.

Maar is geld wel het juiste middel om kunst op waarde te schatten? Een Van Gogh waarvoor de bank moeiteloos zes miljoen neertelt, vinden we waardevoller dan een Karel Appel van 100.000. Stel nu dat die Appel wordt begeerd door iemand die een leven lang hard werkte om alleen dat ene schilderij te kopen. Is de Van Gogh dan nog steeds meer waard?

Hopster drenkte zichzelf in de spiritus voor schilderijen die per stuk nooit meer dan 1.000 euro opleverden. Ze behoren tot een collectie van 350 werken van één schilder. Hagenaar Pieter van Goudzwaard* (1929-1983), onbekend gestorven en onbekend gebleven*. Hopster dreigde er zijn leven voor te betalen zonder hem ooit te hebben gekend. Waarom?

Tessa van Veen had een korte man verwacht, iemand zoals haar vader. Dus toen ze op haar twintigste verjaardag de nieuwe zakenrelatie van haar vader ontmoette, was ze verrast. Hopster had bloemen en bonbons meegebracht. Een lange man met levenservaring. Een ‘aparte gozer’ met wie ze niet uitgepraat raakte.

Hopster, 35 en net gescheiden, wilde Van Veen niet zomaar meeslepen in zijn leven. Hij vertelde over het vuur en de hel van zijn depressies. Hopster was fatalistisch, zocht spanning, drukte soms letterlijk het gaspedaal keihard in. Hij probeerde gevoel te forceren, want in een depressie is er niets, totale leegte. Drugsgebruik moest de vuurbal in zijn hoofd doven.

„Teken met een mooi penseel het lulletje van de klas en ik was het”, zegt Hopster over zichzelf. Zijn leven lang al was hij een outsider. Hij moest zichzelf bewijzen op het schoolplein, maar was toen al lang gevlucht in de kunst.

Kunst werd de wereld waarin hij zich gelukkig voelde, verzamelen werd zijn uitvlucht. Als elfjarige kocht hij met zijn eerste geld voorwerpen op de antiekmarkt die hij weer verkocht aan galeries. Telkens probeerde hij één voorwerp apart te houden en zo bouwde hij een collectie op.

Met Tessa begon Hopster een nieuw leven. Het tweetal opende een antiekzaak naast Hotel Des Indes in Den Haag. Daar, om de hoek, liepen ze voor het eerst tegen een Van Goudzwaard aan. Het werk stond tegen de achterwand van een opslag waarvan de deur open stond. Een naamloos werk, primitief geschilderd, tikje Afrikaans, twee bij twee meter groot. Wilde zwarte lijnen, ruwe verftechniek, felle kleuren. Het raakte hen recht in de maag.

Absolute scherpte is er in perioden van hypomanie, de voorbode van een manische periode. Zulke fases gebruikt Hopster om schilders tot het uiterste te analyseren. Als een bezetene bekijkt hij alle werken van een oeuvre om patronen te ontdekken, een handtekening. Hij wil een schilder kunnen plaatsen in context en tijd.

Maar dit schilderij, midden tussen de rommel, kon Hopster niet duiden. Het was tijdloos, paste in geen enkel hokje. Cobra herken je uit duizenden. Dit werk, dit was eigenlijk geen stijl. Dit was de kern.

Via Arie, de loodseigenaar, leerden ze meer werken van Van Goudzwaard kennen. Hij bleek zich net zo bloot te geven als Van Gogh. Beiden tonen op het doek hun diepste emotie. Ze laten je in Hopsters ogen associëren, voelen, meer nog dan gevierde expressionisten als Pollock. Beiden hadden, net als Hopster, een bipolaire stoornis.

Als Van Goudzwaard zo goed is, waarom hangt hij dan niet in het Guggenheim?

Loodseigenaar Arie Doorduin en zijn vrouw waren begin jaren 80 van de werken net zo onder de indruk geweest. Ze wilden de kar wel trekken en organiseerden een tentoonstelling in Des Indes.

Het liep uit op een mislukking. Schilder Pieter van Goudzwaard was een outcast, iemand die erkenning zocht, maar niet in staat was zichzelf te verkopen. Liever liep hij op hoge hakken door Den Haag of verbrandde hij zijn werk op straat, als offer. Een keer liet hij een schilderij door auto’s in tweeën scheuren op het Binnenhof.

De werken belandden in de opslag van Arie. Een voor een kocht Hopster ze over, 1.000 euro voor de duurste. Hopster bracht ze onder in een stichting, zodat de werken voor altijd bij elkaar zouden blijven en de marktprijs, enig minpunt, nooit kan stijgen. Er is immers geen werk op de markt.

En toen kwam dus het mislukte ondernemersavontuur.

Museum Van Goudzwaard

‘Uw nieuwe toekomst’ heette de beurs waar Van Veens oog in 2008 op viel. Met het project probeert Zeeuws-Vlaanderen, een leegloopgebied, bedrijvigheid aan te trekken. Van Veen wilde iets doen met de collectie. Kunst en cultuur op de Zeeuwse kaart zetten, dat leek haar wel wat.

In Sas van Gent stond een voormalig bankgebouw van 650 vierkante meter leeg, twintig parkeerplaatsen. Een prima museumruimte. Het stadje was weliswaar stil en vergrijsd, de ligging, vlakbij Gent, was gunstig. Een museumboot, bruiloften, bedrijfsuitjes; Van Veen zag het zitten en ook de gemeente en de bank waren enthousiast. Hopster, depressief, zag op dat moment sowieso helemaal niets zitten. Ze kreeg een lening van 776.000 euro voor de aankoop van het bankgebouw en een huis.

Met zilveren letters stond er ‘Museum Hopster Van Goudzwaard’ op de gevel. De opening in november 2008 was geslaagd. Totdat wat buurtgenoten met een slok op bleven hangen en een van hen tegen Hopster zei: ‘Ik weet meer van je dan je denkt’.

De man had gegoogled en gezien dat Hopster in 2001 voor een schietincident was veroordeeld. Een ruzie met een antiekhandelaar in Den Haag, waarbij Hopster een pistool had getrokken. Een incident waarvoor hij door de rechter tot 180 uur taakstraf was veroordeeld en door Google tot levenslang.

De man die hem eraan herinnerde was de sigarenboer, funest in een kleine gemeenschap als die van Sas van Gent.

Er waren dagen dat er niemand kwam. Dan zat Van Veen alleen achter de kassa, bladerend in een kunstboek. Eens kwamen er zestig kinderen over de vloer vanwege het schoolthema ‘kunst’. Dolenthousiast waren ze over de abstracte werken, sommigen zagen er watermonsters in. Van Veen liet ze tekenen in de geest van Pieter, hing het museum vol en organiseerde een dag waarop hun ouders met korting de werkjes konden bewonderen. Er kwam, behalve de dame van het thema, niemand.

Toen het museum in 2010 niet exploitabel bleek, zette de bank het pand per executieveiling te koop en niet lang daarna stond op de gevel in dezelfde zilveren letters ‘Peking City’, een Chinees restaurant. Hopster en Van Veen keerden terug naar het westen en Van Goudzwaard belandde, opnieuw, in een loods. Alleen de bank was er toen nog niet klaar mee.

De wetten van de kunstwereld

De kans om zichzelf in de fik te steken lijkt verkeken. Na twee uur vinden de agenten in burger het genoeg. Hopster wordt ingerekend en de werken worden ingeladen – ten onrechte, besliste de rechter later, de schilderijen heeft Hopster inmiddels weer terug. Justitie vervolgt hem nog voor poging tot brandstichting.

Is iemand met zo’n bezoedelde naam als Hopster wel de juiste om de collectie te beheren? De overeenkomsten met Van Goudzwaard zijn groot. Twee outcasts die de aandacht niet handig weten te trekken, niet wensen mee te doen aan de wetten die de ‘elitaire’ kunstwereld voorschrijft. „Ik weiger mijn naam in ‘Hofstee’ te veranderen”, zegt Hopster daarover.

En ja natuurlijk, zegt hij, heeft Van Goudzwaard belang bij een beheerder zonder slechte naam. Aan een echte liefhebber zou Hopster de collectie zo blind overdragen. Op één voorwaarde: als het nodig is, moet diegene zichzelf ervoor in de fik willen steken, alles voor de kunst. Zo iemand heeft zich nog niet aangediend.

De spiritus kreeg Van Veen na twee keer wassen en een beetje Vanish probleemloos uit het shirt.