Wagners idealistische opera

De Nederlandse Opera besluit het seizoen met een spectaculaire nieuwe productie van Die Meistersinger von Nürnberg. „Je moet deze opera heel licht en transparant brengen”, zegt dirigent Marc Albrecht.

Scène uit Die Meistersinger von Nürnberg

Voor regisseurs Wieland Wagner en Katharina Wagner was het een ware meesterproef. Hoe ensceneer je Wagners komische opera Die Meistersinger von Nürnberg en geef je je tegelijkertijd rekenschap van het duistere verleden daarvan? Met Die Meistersinger werd in 1933 het Derde Rijk feestelijk geïntroduceerd in aanwezigheid van Hitler. Fragmenten vormen de achtergrondmuziek van Leni Riefenstahls nazipropagandafilm Triumph des Willens. Geen wonder dat Wagners kleinzoon Wieland Wagner in zijn productie van 1956 wijselijk koos voor totale abstrahering. Achterkleindochter Katharina Wagner opteerde ruim een halve eeuw later voor karikaturale bespotting.

„Wat je als regisseur eigenlijk zou wensen, is dat Wagner die gewraakte slotmonoloog van Hans Sachs achterwege had gelaten”, zegt regisseur David Alden. Dirigent Marc Albrecht is het daar helemaal mee eens: „Een Meistersinger zonder dat appendix, ja graag! Wagner twijfelde zelf over de noodzaak ervan, en met reden. Het huidige slot is weinig relevant voor het publiek. Met die drie kwartier nodeloos spektakel verlies je ook de intimiteit die juist zo eigen is aan deze opera. Maar ja, Wagner... Hij was wat je noemt gigantomaan. The World was not enough.” En dus bleef de laatste scène van de derde akte staan, naar verluidt op dringend verzoek van Wagners echtgenote Cosima. En eindigt de opera met het ‘Volk’ dat de oproep van meesterzanger Hans Sachs („Drum sag’ ich euch: ehrt eure deutschen Meister!”) honoreert met een jubelend slotkoor over de heil’ge deutsche Kunst!

Regisseur David Alden, zelf in New York opgegroeid, koos voor het beroep operaregisseur door de foto’s die hij als jongen zag van de ensceneringen van Wieland Wagner. „Zijn minimalisme had een enorme invloed op me”, beaamt hij. Zuchtend: „Dat nationalisme in Die Meistersinger, hoe je het ook wendt of keert, dat is gewoon een probleem, iets waar je mee moet omgaan. Peter Konwitschny deed dat voor de opera in Hamburg onlangs op een heel interessante manier: hij zette de muziek stil en liet de personages op het podium een verhitte discussie voeren. Maar dat kun je maar één keer doen. En nationalisme of antisemitisme op een heel concrete manier in de productie betrekken, nee, dat is niet mijn stijl.”

Alden werd eerder deze maand door The Guardian genoemd in een lijstje met de tien meest scandaleuze opera’s ooit: het betrof zijn bijna twintig jaar oude, uiterst bloederige ‘kettingzaag’-enscenering van Tsjaikovski’s Mazeppa. Maar ook wie zijn recentere werk in Amsterdam zag, zal dat niet zijn vergeten. Zo was er een hysterisch campy Ercole Amante, met Hercules die als Hulk Hogan op Griekse toneellaarzen over het podium waggelde. En een fraai vormgegeven Deidamia, waarin de titelheldin zich wellustig ronddansend in badpak te water liet glijden.

„Maar denk niet dat je uit die twee voorstellingen een beeld krijgt van wat ik met Die Meistersinger wil”, zegt Alden. „Ik hoed me voor een herkenbare stijl, daarom werk ik met verschillende teams van decor- en kostuumontwerpers. Een parallel is wel dat ook Die Meistersinger een komische opera is. Maar dat komische aspect heeft twee kanten; een charmante, amusante en een scherpe, sarcastische.”

Een trailer op de site van De Nederlandse Opera verraadt al wel iets van wat de nieuwe productie brengt. Een schilderij van middeleeuws Neurenberg, mannen met jarentwintig-outfits en Puccini-bolhoeden.

Alden: „We hebben geprobeerd onze eigen, beetje dromerige en abstracte beelden te maken, vrijelijk gesitueerd in de vroege twintigste eeuw. Dat was, net als in de tijd van de vernieuwingen waar het in Die Meistersinger om gaat, een tijd waarin verandering voelbaar op komst was. Een rijke, gesloten maatschappij waarin men voelde dat de utopie niet kon blijven. Onze set is daarom een enorme galerie: een schone en esthetische plaats waar men zijn schatten conserveert. We hebben eigenlijk onze eigen artistieke utopie van Neurenberg gemaakt, in navolging van Wagner. Hij idealiseerde die stad als een droomoord waar niet politiek en economie, maar kunst de motor was. Dat is natuurlijk een waan. Wagner probeert ons wel een ideale maatschappij voor te houden, maar waar mensen zijn, zijn sociale structuren. En waar die zijn, is politiek.”

Wagneriaanse toverhoed

Na de wisselend ontvangen Parsifal onder regie van Pierre Audi vorig jaar is Die Meistersinger von Nürnberg de tweede grote en spectaculaire nieuwe productie die De Nederlandse Opera rondom het Wagnerjaar 2013 presenteert. In de Amsterdam Studio’s in Duivendrecht houdt regisseur Alden de toegang tot de repetitieruimte vooralsnog gesloten. Door de gangen lopen wel al de zangers die straks de Meistersinger zullen zijn. De charismatische, oude schoenlapper Hans Sachs, die zich gedurende de opera tot een wijze vaderfiguur en de spil van de handeling ontwikkelt. De jonge edelman Walther, „muzikaal een genie, maar verder ook een beetje een onsympathiek, ruziezoekend ettertje”, zoals dirigent Marc Albrecht verwoordt. En, in ruitjespak, de ‘merker’ Sixtus Beckmesser die frikkerig op een leitje kalkt welke regels der kunst het ongepolijste genie Walther in zijn prijslied allemaal schendt.

„Sixtus Beckmesser is het tweede probleem waar je als regisseur van Die Meistersinger rekening mee moet houden”, zegt David Alden. „Hij wordt geridiculiseerd, bijna vermoord, vernederd en verstoten. Wagner toont zich in de tekening van Beckmesser zonder meer van zijn slechtste kant. Het was zijn afrekening, zijn wraakfantasie over criticus Eduard Hanslick, die erg tegen de vernieuwingen in Wagners muziek was. Beckmesser heette eerst zelfs ‘Veit Hanslick’. Daar komt het antisemitische karakter van de manier waarop hij Beckmesser muzikaal typeert, met dat semi-‘Joodse’ liedje op de lier, dan nog bij.”

„Het leuke aan Die Meistersinger is eigenlijk dat alle personages hun zwaktes hebben”, zegt dirigent Albrecht. „Beckmesser heeft ook muzikaal een scherper profiel dan de sympathieke Hans Sachsmet zijn sympathieke, zangerige lijnen. Het meisje Eva wordt van een oninteressant kind een vrouw met reliëf. Daarmee overeenkomstig wordt ook haar muziek steeds melodieuzer en bloeiender. Aan Walther hoor je zijn aangeboren genie doordat hij al in zijn eerste, volstrekt ongeschoolde poging tot een Meisterlied wel al bepaalde regels, zoals die over de vorm, intuïtief in acht neemt.”

David Alden: „Walther is een mysterieuze sprookjesfiguur, een instinctief genie die de nieuwe stijl introduceert. Wagner zelf zag zich als half Hans Sachs, half Walther – de brenger van het nieuwe en choquerende. Je kunt dat overigens ook bezien vanuit Bijbels perspectief. ‘Hans’ Sachs heeft duidelijke trekken van Johannes de Doper, die ruim baan maakt voor de Verlosser: Walther, de man die artistieke vrijheid brengt. Het meisje Eva heet ook niet voor niets zo. De verwijzingen worden bij bosjes in de toverhoed geworpen. (lacht) Tsja, daar is het Wagner voor!”

Artistieke afgrond

Wagners diepe hoed biedt visueel rijke mogelijkheden. In het decor van Gideon Davey verrijst straks een glazen staketsel, ondergronds hebben de Meistersinger hun heilige vergaderruimte. Daar omheen: talloze reliekschrijnen waaronder een zwarte reuzenvoet van twee meter lang. Spektakel wordt sowieso niet geschuwd. Bij de grote zangwedstrijd in de derde akte, een volksfestijn, gaat ook nog een vijf meter hoge stropop in vlammen op.

In de bak van Het Muziektheater bespreekt Marc Albrecht intussen met orkest en zangers de uitkomsten van de repetitie. „Het probleem is die kleine orkestbak hier”, wijst hij. „Een deel van het orkest zit in de tweeënhalve meter ruimte onder het podium. Maar als je daar een fagot neerzet, slaat het geluid meteen hartstikke dood tegen het plafond. We moeten dus even uitpuzzelen welke opstelling het beste klinkt. Een ideale oplossing is twee rijen stoelen uit de zaal te halen en de orkestruimte zo uit te breiden. Maar de grootte van het orkest vereist dat niet en het betekent veel gederfde kaartinkomsten. Dus helaas.”

Voor Albrecht is dit de eerste keer dat hij de kans krijgt zich te presenteren in Wagner. Bij zijn aantreden als chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest en De Nederlandse Opera in 2011 werd Wagner steeds als een van zijn favorieten genoemd, maar tot nu toe leidde hij alleen een gala met losse stukken (waaronder eerste akte Walküre). „Wat kan ik zeggen, de Ring was natuurlijk al vergeven aan Hartmut Haenchen”, reageert hij. „Maar we zijn alweer in overleg over de volgende Wagner-productie. Er komen reprises aan van Lohengrin en eventueel Der fliegende Holländer.”

Die Meistersinger dirigeerde Albrecht nog niet eerder. „Ik had vroeger problemen met dit werk”, zegt hij. „Ik was dol op Der Ring des Nibelungen, op Tristan und Isolde. Maar Die Meistersinger? Waarom keerde Wagner na Tristan terug tot zo’n diatoon ‘Lustspiel’? Nu ik ouder ben, zie ik meer lagen. Bijvoorbeeld het autobiografische element: zoals de oude Hans Sachs zijn liefde voor het meisje Eva opgeeft, zo liep Wagners liefde voor Mathilde Wesendonck in die tijd op niets uit. En muzikaal: wat kun je nog als componist na een werk harmonisch zo complex en vernieuwend als Tristan? Wagner schreef zelf in een brief aan Mathilde dat hij zich zowel persoonlijk als artistiek aan de rand van de afgrond bevond. Van daaruit ontstond Die Meistersinger. Zonder Tristan had Die Meistersinger nooit kunnen ontstaan. De eenvoud die het werk ademt, is schijn. De AAB-vorm van de drie aktes correspondeert met waar de opera over gaat: de vorm van een goed lied naar de regels van de Meistersinger. En onder de diatone façade is de muziek vol uiterst virtuoze chromatiek.”

De lichte ‘Kammerton’ kwam Wagner niet aanwaaien, zegt Albrecht. „Hij heeft over de eerste akte vier jaar gedaan. Uiteindelijk liet hij alle donkere instrumenten weg en treft hij met meer violen een veel zonniger, Mendelssohn-achtig geluid. Die Meistersinger wordt ook maar zeer zelden goed uitgevoerd. Meestal streven dirigenten naar een zwaar, ‘echt Wagneriaans’ geluid. Maar dan mis je de essentie. Je moet deze opera heel licht en transparant brengen, een beetje ‘historisch geïnformeerd’ zelfs. (lach) Het orkest speelde net hiervoor Die Walküre . Ze moesten erg wennen.”

Voorstellingen tussen 4 en 23 juni in Het Muziektheater, Amsterdam. Inl: www.dno.nl