Sciencefictionauteur met ernstige thema's

Decennialang was Jack Vance in Nederland de beste verkopende sciencefiction-schrijver. Boeken van hem behoren tot de beste in het genre.

De sciencefiction- en fantasyschrijver Jack Vance – die afgelopen zondag op 96-jarige leeftijd overleed – had een curieuze positie in het genre. Zijn collega’s roemden hem als ‘een genie’ en bekroonden zijn werk met belangrijke genreprijzen, maar voor het grote publiek bleef hij de writer’s writer. Behalve in Nederland, waar hij decennialang de best verkochte sf-schrijver was.

Zijn werk blonk uit in precisie en gevoel voor gedrag en culturen. Het ging hem niet om gadgets en wetenschap. Hij schreef over slavernij, wraak, verraad, reislust, getormenteerde kinderen, racisme en klassenverschillen. Hoewel de thema’s vaak ernstig waren, had Vance een lichte toets en een voorkeur voor de ‘comedy of manners’.

Om zijn vreemde werelden vlees op de botten te geven, maakte hij gebruik van een rijk, soms archaïsch vocabulaire dat maakte dat je de stof van een tuniek bijna kon aanraken, de geuren van de maaltijden kon opsnuiven en verpletterende vergezichten voor je zag. Hij smeedde een huwelijk tussen reisliteratuur en avontuur. Zoals vertaalster Annemarie van Ewyck noteerde: ‘Vance lijkt bij wijlen wel een negentiende-eeuwse wereldreiziger die op zijn tochten de meest bizarre staaltjes van menselijk gedrag verzamelt, om straks in een rariteitenkabinet voor te zetten aan de thuisblijvers.’ Dat was meteen ook zijn valkuil – Vance’ exotisme en eruditie sloot een deel van de lezers buiten.

Jack Vance werd in 1916 geboren in Pacific Heights, nabij San Francisco, de zoon van een afwezige vader. Hij studeerde natuurkunde, journalistiek en Engels. In de oorlog werkte hij op de grote vaart, waar hij tot tweemaal toe getorpedeerd werd. De liefde voor zeevaart zou veelvuldig terugkeren in zijn werk. Net als zijn liefde voor muziek, of beter: de jazz.

Vance maakte in 1950 naam met de korte verhalen die zijn klassieke The Dying Earth vormden – spelend op een Aarde rond een uitdovende zon, waar magie en technologie naast elkaar bestaan. Zijn beste werk schreef hij vooral in de jaren zestig en zeventig, voordat een mislukte glaucoom-operatie hem nagenoeg blind maakte.

Uit een oeuvre van ruim 60 boeken, in verschillende genres, en onder verschillende namen, springen er een aantal uit: Emphyrio (1969), Maske:Theary (1976), de Tschai-reeks (1968-1970) en de Duivelsprinsen-reeks (1964-1981).

De laatste twee delen in die serie, over een man die een traumatische jeugdervaring wreekt door af te rekenen met de verantwoordelijke interstellaire topcriminelen, behoren tot het allerbeste in het genre.