Schrijver die een huwelijk smeedde tussen reisliteratuur en avontuur

Jack Vance (Foto jackvance.com)

Jack Vance liet zich als sciencefictionschrijver leiden door gedrag en culturen, niet door technologie. Afgelopen zondag overleed hij op 96-jarige leeftijd.

De sciencefiction- en fantasyschrijver Jack Vance  nam een curieuze positie in het genre dat vrijwel gelijktijdig met hem opgroeide. Zijn collega’s roemden hem als ‘een genie’ en bekroonden zijn werk met belangrijke genreprijzen, The New York Times noemde hem ‘een van de meest onderschatte stemmen in de Amerikaanse letteren’, maar voor het grote publiek bleef hij de writer’s writer. Behalve in Nederland, waar hij, door een speling van het lot en de inspanningen van uitgeverij Meulenhoff, decennialang de best verkochte sf-schrijver was.

Zijn werk blonk uit in precisie en in wat Amerikanen sense of place noemen. Bij Vance draaide het om gedrag en culturen, niet om gadgets en exacte wetenschap. Hij schreef over slavernij, wraak, verraad, reislust, getormenteerde kinderen, racisme en klassenverschillen. Hoewel de thema’s vaak ernstig waren, had Vance een lichte toets en een voorkeur voor de ‘comedy of manners’.

Om zijn vreemde werelden vlees op de botten te geven, maakte hij gebruik van een rijk, soms archaïsch vocabulaire dat maakte dat je de stof van een tuniek bijna kon aanraken, de geuren van de maaltijden kon opsnuiven en verpletterende vergezichten voor je zag. Hij smeedde een huwelijk tussen reisliteratuur en avontuur. Zoals vertaalster Annemarie van Ewyck noteerde: ‘Vance lijkt bij wijlen wel een negentiende-eeuwse wereldreiziger die op zijn tochten de meest bizarre staaltjes van menselijk gedrag verzamelt, om straks in een rariteitenkabinet voor te zetten aan de thuisblijvers.’ Dat was meteen ook zijn valkuil – Vance’ exotisme en eruditie sloot een deel van de lezers buiten.

Jack Vance werd in 1916 als John Holbrook Vance geboren in Pacific Heights, nabij San Francisco, de zoon van een afwezige vader. Hij studeerde natuurkunde, journalistiek en Engels en was als marinier gestationeerd in Pearl Harbor, al zwaaide hij af vlak voor de Japanners toesloegen. In de oorlog werkte hij op de grote vaart, waar hij tot tweemaal toe getorpedeerd werd. De liefde voor zeevaart zou veelvuldig terugkeren in zijn werk. Net als zijn liefde voor muziek, of beter: de jazz.

Het lukte Vance relatief snel van schrijven te kunnen leven. Omdat hij veel en snel schreef – naar eigen smaak meer ambachtsman dan kunstenaar –, maar ook door langdurig in het buitenland te wonen en zijn leven niet in te laten perken door de grote kostenposten van het burgerbestaan. Hij werd bijgestaan door zijn vrouw Irma, die zijn voornaamste redacteur en criticus was.

Vance maakte in 1950 naam met de korte verhalen die zijn klassieke The Dying Earth vormden – spelend op een Aarde rond een uitdovende zon, waar magie en technologie naast elkaar bestaan. Zijn beste werk schreef hij vooral in de jaren zestig en zeventig, voordat een mislukte glaucoom-operatie hem nagenoeg blind maakte. Uit een oeuvre van ruim 60 boeken, in verschillende genres, en onder verschillende namen, springt er een aantal uit: de novellen The Dragon Masters en The Last Castle (1966), de romans  Emphyrio (1969) en Maske:Theary (1976), en de romancycli Tschai (1968-1970) en The Demon Princes (1964-1981). De laatste twee delen in die serie, over een man die een traumatische jeugdervaring wreekt door af te rekenen met de verantwoordelijke interstellaire topcriminelen, behoren tot het allerbeste in het genre.

Vance’ laatste boek verscheen in 2009, een jaar na het overlijden van Norma: zijn autobiografie This is me, Jack Vance! In dat luchtige boek draait het vooral om het reizen en het gezinsleven. Over schrijven wilde Vance liever niet praten – meermalen geeft hij blijk van de (misplaatste) bescheidenheid die veel van zijn generatiegenoten kenmerkte. ‘Er zitten geen verhalen meer in mij. Alleen dit verhaal, dat nu bijna voltooid is. (…) Die kerel die jarenlang al die troep heeft geschreven – hij lijkt wel iemand anders!’