Rood is gevaarlijk maar het lekt zo mooi

IslBG

V oor één voorstelling op het Holland Festival heb ik meteen een kaartje besteld: de nieuwe versie van de Sacre du printemps van Het Nationale Ballet. Vaak gedaan en altijd spannend, want Igor Stravinski’s muziek sméékt om dans, driftige dans, vreemde dans. Eerst voorziet hij (een ander woord is er niet voor) een minuutje of drie in zoete klanken onder leiding van een slijmerige fagot. Je droomt weg... Krás! Daar vallen de strijkers aan. De muziek springt naar je keel en laat, schuddend met zijn kop, niet meer los. Op 29 mei 1913, gisteren honderd jaar geleden, verstoorde het Parijse publiek met slappe lach en geschreeuw de première van het eerste ballet op de Sacre, gemaakt door legende Vaclav Nijinski. Het is een mythisch schandaal, waarbij wel moet worden ingecalculeerd dat het Parijse publiek wist waar het voor kwam. In 1912, ook op 29 mei, was er immers ook al heibel geweest bij de première van Nijinki’s ballet Prélude à l’après-midi d’un faune, omdat die faun, die hij zelf danste, zo opgewonden raakte van een nimf dat hij zijn zaad op haar shawl leek te storten. En diezelfde Nijinski heeft iets nieuws? Precies een jaar later? We gaan! Wil je nog rellen, rel dan mee.

Verder wacht ik het Holland Festival eerst maar even af – een kleine eenvrouwsactie, omdat het festival weer eens de film vergat. Behalve dan dat ene concert bij een gerestaureerde print van West Side Story. Waarom zou je daar naartoe? Vanwege het Radio Filharmonisch Orkest? Dat speelt bij deze film toch echt de tweede viool, en die film is toch echt te bekend om Holland-Festival-waardig te zijn.

Gelukkig biedt Eye, het Amsterdamse filmmuseum, een alternatief, met een retrospectief op de films van Robby Müller. Van wie? Van de Nederlandse cameraman met het uitzonderlijke oeuvre. Hij werkte met de groten van de cinema: Wim Wenders, Jim Jarmusch, Lars von Trier. Müller, die nu helaas in een rolstoel zit, was hun favoriet.

In het programmaboekje schrijft filmtheoreticus Mart Dominicus dat Robby Müller „spaarzaam” omging met close-ups. Beeldend kunstenaar en filmer Steve McQueen, die met Müller werkte, mag het festival openen. In zijn speech verzucht hij dat Müller altijd zo simpel draait. Het wordt donker voor de openingsfilm. Paris Texas van Wim Wenders. Die film hangt van close-ups aan elkaar en hij rijgt het ene on-simpele shot aan het andere. Müller betovert zowel de filmers als hun publiek: hij doet wat ik denk, menen ze, en dan zijn ze gelukkig.

Hoe dat werkt hoor ik na afloop van een andere filmer. Hij trof Müller in Parijs. 1977. Hij filmde Die linkshändige Frau, geregisseerd door de Duitse schrijver Peter Handke, en vertelde dat er geen scenario was. Handke regisseerde met zijn roman in de hand, van pagina tot pagina. Hoe dat dan moest? „Nou”, zei hij, als je ’t goed leest weet je vanzelf waar de camera moet staan.” Zo dus.

Paris Texas is uit 1984 en een tikje gedateerd. Maar Müllers beelden overweldigen me weer net zo als toen. Wenders en hij riepen een mythisch Amerika op, dat ze kenden uit de speelfilms van de jaren vijftig en zestig. Daar ontrolt zich een, uiteraard wanhopige, love story. Het rood van het petje van de vader heeft dezelfde geraniumkleur als de sweater van zijn zoontje. En als het oranjerood van de angoratrui van zijn veel te jonge vrouw, die in een peepshow werkt. En als de rode telefoon in haar cabine. Müller belichtte al dat rood zo, dat het lijkt te lekken over de rest van het beeld. Zo laat hij voelen wat niemand horen wil: dit komt niet goed, maar die drie horen wél bij elkaar.

Rood is moeilijk. Pas je niet op, dan is het een cliché. Rood. Zo heet de nieuwe voorstelling van NTGent. Ik zie acteur Wim Opbrouck als de schilder Mark Rothko, wereldberoemd met de grote doeken waarop hij kleur afbeeldde als een levend ding. Vaak rood. Rood beduidt hier ook de woede van een stervende kerel. Depressief omdat zijn schilderijen veel geld opbrengen, maar niemand kijkt er goed naar. Hij brult: „Laat het schilderij je vervullen zodat niets anders nog bestaat of bestaan heeft of zal bestaan!”

Hetzelfde verlangen dwarrelt door de films die Robby Müller draaide. Stravinski en Nijinski voerden hun hunkering zelfs zo op dat het publiek zich overmeesterd voelde. En terug ging vechten.