Man van principes/lastige moralist

Jan Pronk verlaat de PvdA. Hij was nooit de aanvoerder van een stroming in de partij, maar heeft fans onder oude én jonge leden.

Jan Pronk als gezant van de Verenigde Naties in Soedan, in 2005. Foto Sven Torfinn

Bondgenoten. Dat is het woord dat senator Adri Duivesteijn gebruikt als je hem vraagt naar zijn relatie met Jan Pronk. „Zijn betrokkenheid, de manier waarop hij vergezichten verbindt aan de dagelijkse praktijk – dat spreekt me aan.”

Afgelopen woensdag kondigde partij-icoon Pronk (73) aan dat hij zijn partijlidmaatschap opzegt. De PvdA, schreef hij in zijn afscheidsbrief, heeft de „kernbeginselen” van de sociaal-democratie „verloochend”. „Ik blijf sociaal-democraat. Juist daarom voel ik mij niet langer thuis in de PvdA.”

De reacties in de PvdA waren vrijwel unaniem: dit is een groot verlies. Maar wat betekent het vertrek van Jan Pronk werkelijk voor de partij? In hoeverre vinden zijn ideeën nog weerklank in de PvdA-achterban?

Jan Pronk is nooit de aanvoerder geweest van een ‘stroming’ binnen de PvdA. Zijn politieke ideeën waren – in ieder geval tot aan de Fortuyn-revolte van 2002 – die van de meeste PvdA’ers: gelijkheid, eerlijk delen, internationale solidariteit. Of je een fan van Pronk was, was meer een kwestie van politieke stijl: hield je van zijn passie en onwrikbare principes, of vond je hem een lastige solist die wel érg het morele gelijk aan zijn zijde dacht te hebben?

Fans van Pronk komen in de PvdA dan ook uit alle generaties: van oude strijdmakkers uit de jaren zeventig tot twintigers en dertigers. Tijdens zijn gastcollege op de ‘Afrika-dag’ van de PvdA, vorig jaar, zat de zaalbomvol jonge mensen. En toen Pronk zich in 2007 kandidaat stelde voor het partijvoorzitterschap, was dat op instigatie van een groep Jonge Socialisten uit Maastricht.

Zeker is, zeggen de meeste PvdA’ers, dat Pronks manier van politiek bedrijven vandaag niet meer zo vanzelfsprekend is binnen de PvdA. „Hij heeft minder draagvlak onder de leden dan pakweg vijftien of twintig jaar geleden”, zegt Arie de Jong, al veertig jaar actief binnen de PvdA. Adri Duivesteijn: „Er zijn nauwelijks nog vergezichten. De PvdA-top bedrijft heel pragmatische politiek. Je voelt dat PvdA’ers niet meer met dezelfde kracht opkomen voor hun beginselen als vroeger.”

Dat Pronk niet meer dezelfde bewondering geniet als vroeger, wil niet zeggen dat hij geen snaar weet te raken bij PvdA-leden. Als het over het vreemdelingenbeleid van het kabinet gaat – één van de twee redenen voor zijn opstappen – vertolkt hij zonder twijfel de gevoelens van de meeste PvdA’ers: strafbaarstelling van illegaliteit druist volledig in tegen sociaal-democratische grondbeginselen als solidariteit en menselijke waardigheid. In die zin is zijn vertrek een streep door de rekening van partijleider Diederik Samsom, die twee weken geleden juist een opstand onder de PvdA-leden wist af te wenden met een reeks beloften om de strafbaarstelling te verzachten. De kwestie smeult nog altijd in de partij, en Pronks vertrek kan de discussie opnieuw aanzwengelen.

Op zijn andere principiële punt – ontwikkelingshulp – lijkt Pronk de mainstream gevoelens in de partij niet echt meer te verwoorden. Natuurlijk, internationale solidariteit is voor veel PvdA-leden nog steeds een leidend principe. Maar toen Samsom tijdens de kabinetsformatie de internationale norm van 0,7 procent van het bruto nationaal product voor ontwikkelingshulp losliet, bleef een storm van protest uit. Het congres riep de partijtop weliswaar op de 0,7 procent in de toekomst weer van stal te halen, maar pas als de binnenlandse economische omstandigheden dat toelaten.

Sindsdien werkt PvdA-minister Lilianne Ploumen (Ontwikkelingssamenwerking) aan een verregaande integratie van hulp en internationale handel. Dat beleid wordt „moeiteloos geaccepteerd” door het partijkader, zegt Arjen Berkvens, directeur van de Evert Vermeer Stichting, de ontwikkelingshulp-denktank van de PvdA. „Toen Ploumen laatst haar plannen kwam toelichten op een partijbijeenkomst, leefde er onder de aanwezigen een brede acceptatie. Mensen wilden meedenken. Iedereen begrijpt dat er bezuinigd moet worden.”

Jan Pronk is het daar volstrekt niet mee eens. In zijn afscheidsbrief legt hij uit dat met het loslaten van de 0,7 procent „de bodem onder de internationale solidariteit [is] weggeslagen”. „Dit is geen foutief beleid, maar een verloochening van een kernbeginsel.”

Adri Duivesteijn begrijpt dat Pronk vasthoudt aan zijn principes. „Die 0,7 procent staat voor alles wat hij vertegenwoordigt.”

Arie de Jong heeft een andere opvatting: „Ik denk dat Jan Pronk de veranderingen van de laatste jaren in de internationale hulp niet in hetzelfde tempo heeft geïnternaliseerd als de huidige generatie politici.”