Mahler zingen als caféliedje

Als de Oostenrijkse band Franui de muziek van Mahler speelt, hoor je de volksmuziek uit Mahlers jeugd. „Het triviale en de alledaagse treurnis moeten terug in Mahler.”

‘We willen het publiek laten horen dat deze liederen van Mahler, zo’n 120 jaar oud, nieuwe eigentijdse muziek zijn”, zegt Andreas Schett na een concert van zijn Tiroler band Franui. „We doen het op onze eigen wijze, op het instrumentarium van de volksmuziek, zoals hakkebord, harp en citer, met koperblazers, houtblazers en wat strijkers.”

Maar het klinkt eigenlijk juist zeer oud, precies zoals Mahler zelf als een Joods kind muziek heeft gehoord. Je hoort klezmer, de Joodse jazz, alles is ‘oer’, net als de Wunderhornliederen zelf. „Ok”, zegt Schett, „zo kun je het ook zien. Het is muziek voor alle tijden. De manier waarop wij het doen, is eigentijds, met elementen uit de jazz en de Alpine volksmuziek. Leonard Bernstein zou dit heerlijk hebben gevonden. Hij had in zijn Mahleropnamen ook die weemoed en sentimentaliteit.”

De eenvoudige en directe manier waarop Franui de liedmuziek van Mahler hercomponeert en uitvoert, leidt tot een melancholieke sfeer, die aangrijpend is. Het klinkt als een herinnering aan het straatleven in het armelijke stadje Jihlava (destijds Iglau), waar Gustav Mahler (1860-1911) zijn jeugd doorbracht. In die garnizoensplaats werd gemarcheerd, je hoorde trompetgeschal, er klonken marsen en soldatenliedjes. Men zong volksliederen, liederen van heel lang geleden. Als zesjarige kende Mahler er al tweehonderd. De echo’s daarvan weerklinken in zijn eerste vier symfonieën en in zijn liederen, over het leven, over lief, maar vooral over leed.

De ‘muscibanda’ Franui komt uit Innervillgraten, een dorp in Oost-Tirol met nog geen duizend inwoners tegen de Italiaanse grens aan. Aan de andere kant van de berg ligt Dobiacci (Toblach) waar Gustav Mahler zijn laatste componeerhuisje had. Daar schreef hij Das Lied von der Erde en de symfonieën 9 en 10. De elf leden van Franui zijn het dorpsniveau ontstegen, al spelen ze ook nog wel in Innervillgraten. Bandleden spelen in orkesten, zoals de Münchener Philharmonie of geven les aan het Mozarteum in Salzburg. Franui, dat dertig tot vijftig keer per jaar optreedt, houdt zich ook bezig met Händel, Schubert, de volksliederen van Brahms en Wagners Das Rheingold. Franui heeft inmiddels internationaal een cultstatus bereikt. Het speelde in het Konzerthaus en het Burgtheater in Wenen, tijdens de Salzburger Festspiele, in Duitsland en Frankrijk en nu tijdens het Holland Festival.

Het zijn, naast de Mahlermuziek zelf, de eenvoud en de pretentieloosheid die zo sterk aanspreken. Het is alsof de leden van Franui in een café een oud lied aanheffen, zoals over een dode soldaat die ’s nachts bij zijn geliefde aanklopt. Vaak worden de vocale lijnen alleen instrumentaal uitgevoerd. Voor de ervaren Mahlerliefhebber is dat geen probleem. Het is zelfs een voordeel om die teksten zelf in het hoofd mee te zingen, terwijl de instrumenten die nog gevoeliger spelen dan een zanger ze kan zingen.

„We spelen al twintig jaar samen”, zegt Schett van Franui, die een leidende rol heeft. „Toen we begonnen, was de oudste 21 en de jongste 15. Dan leer je iets wat je niet kunt repeteren. We groeiden op in dit dorp en de eerste muziek die we op straat hoorden, waren begrafenismarsen. Dat is muziek die vooruitgaat en op hetzelfde moment stilhoudt. Die meerduidigheid van lachen en huilen tegelijk, dát is Mahler.”

Die eigen ervaringen van Franui en die van de jonge Mahler vallen deels samen. De oorsprong van de Mahlers muziek lag ook op straat. Die is vaak gekritiseerd als een mengsel van hoogdravendheid en banaliteiten als de signalen van de posthoorn, het lied Vader Jacob, riedeltjes op banjo’s, geluiden uit de natuur. De macabere marsen in zijn vroege symfonieën zijn herinneringen aan de begrafenissen van zijn broertjes en zusjes.

De Lieder eines fahrenden Gesellen en Des Knaben Wunderhorn weerspiegelen de sfeer uit oude tijden, zelfs nog van de Middeleeuwen, die in Bohemen nog geen verleden tijd waren. De grimmigheid van ’s levens felheid en de mateloze melancholie heersten halverwege de negentiende eeuw nog voluit op het platteland in Bohemen. Mahler maakte later kunstmuziek van al die toevallige muzikale herinneringen die hem nooit meer zouden verlaten. Het probleem met Mahler is dat die hartverscheurende muziek tegenwoordig alleen nog maar esthetisch wordt gevonden. Zoals het lied Ich bin der Welt abhanden gekommen: „Ich leb’ allein, in meinem Himmel, in meinem Lieben, in meinem Lied.”

„We willen die ‘hoge kunst’ van de Mahler van de symfonieorkesten laten horen”, zegt Schett. „En die tegelijkertijd naar beneden halen. Het wrange, het triviale, de alledaagse treurnis en de meerduidigheid moeten terug.” Dat doet Franui zo indringend dat het nauwelijks is te verdragen. De liederen worden dan ook afgewisseld met voordrachten uit Kleine Dichtungen van Robert Walser.

Buiten op straat, in de sneeuw, zeg ik tegen Schett dat de musici van Franui wel Leiermänner lijken, lieremannen. Zoals in het Schubertlied Der Leiermann, over een liereman die buiten een dorp in de kou eenzaam aan zijn lier staat te draaien. „Leiermänner!” Hij denkt even na en citeert dan Willst zu meinen Liedern deine Leier dreh’n? „Ja, het is goed als het zo eenvoudig kan. Meer heeft het niet nodig.”

Franui, 22/6 20.30 uur Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. ‘Mahlerlieder’ is op cd verschenen: (col legno 20303)