Column

Hoe een Natlab een Drooglab werd

In 1964 troffen twee wetenschappers van het Amerikaanse Bell Labs, Arno Penzias en Robert Wilson, een hardnekkige ruis aan toen ze met een experimentele antenne in de weer waren. De antenne moest zwakke golven opvangen die terugkaatsten van weerballonnen ver boven hen. Alles hadden ze al onderdrukt, van radars tot radiosignalen, om de golven waar ze naar op zoek waren te ontvangen – maar die hinderlijke ruis bleef. Zonder het aanvankelijk te beseffen ontdekten de twee Bell-wetenschappers bij toeval de kosmische achtergrondstraling, die geldt als het bewijs voor de theorie dat het heelal met een oerknal ontstond. De Nobelprijs liet niet lang op zich wachten.

Het was de tijd dat grote technologiebedrijven er forse laboratoria op na hielden waar de nerds avant la lettre lekker hun gang mochten gaan, in de verwachting dat ze van tijd tot tijd uitvindingen deden waar de onderneming wat aan had. Bell Labs is een beroemd voorbeeld, of Xerox’ Palo Alto Researchcentrum. In Nederland was er het vermaarde Natuurkundig Laboratorium (NatLab) van Philips dat, onder veel andere vondsten, de cd opleverde. En waar uitvindingen werden gedaan die een Philipsdochter baarden: ASML, tegenwoordig de wereldleider in machines voor de fabricage van microchips.

Het aardige van de oude labs was dat zij, al werkten ze voor de onderneming zelf, de maatschappij als geheel kennis opleverden. Dat was heel vroeger. Later zouden ze worden gestructureerd en hun onderzoek veel exclusiever richten op marktwaardige producten. En nu? Deze week werd bekend dat ASML het Instituut voor Nanolithografie opricht in het Science Park te Amsterdam. Dat is prachtig: honderd wetenschappers zijn voor tien jaar verzekerd van onderzoek op het scherpst van de snede. Het verkennen van de grenzen van wat nog aan miniaturisering mogelijk is, moet een heerlijke wetenschappelijke opgave zijn. Maar in wezen wel ten dienste van ASML, want nanolithografie staat natuurlijk goeddeels gelijk aan chipfabricage.

De financiering is zo bezien best opmerkelijk. De gemeente Amsterdam draagt 5 miljoen bij aan de opstartkosten, de twee Amsterdamse universiteiten dragen 12,5 miljard bij, het Rijk, via de instituten FMO en NWO, gaat er voor 25 miljoen in en er zal een soortgelijk bedrag worden gevonden aan verdere nationale en Europese subsidies. ASML financiert slechts 30 miljoen, nog geen derde van het totaal. Dat is 3 miljoen per jaar, ongeveer één procent van het totale ontwikkelingsbudget van de onderneming. En daarvoor heb je dan elk jaar honderd topwetenschappers aan het werk op een voor jou buitengewoon nuttig (zeg maar exclusief) terrein. Dat is 30.000 de man/vrouw, inclusief alle faciliteiten.

Het zal hoogstwaarschijnlijk genuanceerder in elkaar zitten, maar de vraag rest wel: waarom financiert ASML, met een operationele winst van 1,34 miljard euro in 2012, dit niet in zijn geheel? Dit wordt nu een lab waarin de maatschappij de wetenschap ten dienste stelt aan een onderneming, in plaats van andersom. Het zal de moderne tijd zijn. En een bedrijf, net als bij de discussie over belastingroutes, zou wel gek zijn om er geen gebruik van te maken. Maar een beetje jammer is het wel.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.