Het gaat bij Pixar niet om perfectie

Vandaag opent een expositie van animatiestudio Pixar in Amsterdam Te zien is waarom een film soms vijf jaar kost om te maken Zonder geloofwaardigheid geen emotie

Schets voor Finding Nemo.

medewerker film

Iedereen kent de charmante, ontroerende, humoristische, technisch vernieuwende en prijswinnende animatiefilms van Pixar: onder meer de Toy Story-films, Finding Nemo, Up, Ratatouille en Brave.

Maar hoe komen de films tot stand? Wie nieuwsgierig is naar het creatieve proces achter de films, kan terecht op de aan Pixar gewijde tentoonstelling in Amsterdam Expo, aan de Amsterdamse Zuidas.

Naast dertien avondvullende, met de computer getekende producties maakte Pixar ook vele korte films. Hierin worden vaak nieuwe technieken uitgeprobeerd. De lamp uit Luxo Jr. (1986), John Lasseters baanbrekende film die laat zien dat een met de computer gemaakte animatie wel degelijk een ziel kan hebben en emoties losmaakt, werd het studiologo.

Een schaalmodel van deze lamp verwelkomt de bezoeker van de tentoonstelling Pixar: 25 Years of Animation. Heel bewust zijn op deze expositie niet beelden uit de animatiefilms zelf te zien, vertelt curator Elyse Klaidman, werkzaam als hoofd van het Pixar-archief en de Pixar University, en verantwoordelijk voor het kunst- en filmonderwijs van de Pixar-medewerkers. Klaidman: „Regisseur John Lasseter, creatief directeur van Pixar, wil met deze tentoonstelling het talent laten zien van de kunstenaars die bij de studio werken. Maar ook wat voor werk er allemaal voorafgaat aan het maken van een animatiefilm, de ontwerpfase: van eerste idee via schetsen tot eindproduct. Er gaat een heel experimenteel zoekproces aan vooraf, met veel brainstormsessies waaraan iedereen zijn bijdrage mag leveren. Het gaat om het vinden van details die een film verlevendigen, een stemming, de juiste toon en timing. Langzaam krijgt een project dan vorm, waarna de regisseurs aan de slag gaan met scenaristen. Deze ontwerpfase is tijdrovend, daarom duurt het ook zo’n vijf jaar om een film te maken.”

Op de tentoonstelling, die eind 2005 voor het eerst te zien was in het MoMA en sindsdien 14 landen aandeed, zijn ruim 500 werken te zien: schetsen in diverse technieken, storyboards, sculpturen, maquettes, digitale schilderijen, video’s en twee installaties – onder meer met de figuren uit Toy Story in 3D. Klaidman: „Mensen realiseren zich niet dat er nog zoveel analoog is bij Pixar, omdat we bekendstaan om onze digitale animatie. Veel van onze kunstenaars werken echter nog op de traditionele manier, met pen en papier. Soms worden die schetsen daadwerkelijk gescand en dan verwerkt op de computer, soms staan ze alleen door hun unieke atmosfeer en visie op het materiaal aan de basis voor het verdere creatieve proces.” Klaidman antwoordt resoluut op de vraag of het werk van de Pixar-artiesten, die sinds 2006 deel uitmaken van het grote Disneyconcern, kunst of amusementscultuur is. „Kunst, kijk maar om je heen op de expositie.”

Na een algemene inleiding over Pixar en zijn geschiedenis volgen er ruimtes die ingedeeld zijn volgens de drie leidende principes die Lasseter hanteert bij elke Pixarfilm: pakkende personages om wie je geeft, een boeiend verhaal en een geloofwaardige wereld (‘setting’). Klaidman benadrukt dat het bij Pixar niet om realisme of perfectie gaat, maar om geloofwaardigheid: „De emoties van de personages, de aannemelijkheid van het verhaal en de gedetailleerd opgeroepen setting, zoals de onderwaterwereld in Finding Nemo, zijn het allerbelangrijkst voor de geloofwaardigheid. Zonder dat is er geen emotie mogelijk, en daar draait het uiteindelijk om.”

Pixar: 25 Years of Animation. Van 30 mei t/m 27 oktober. In: Amsterdam Expo. Informatie: amsterdamexpo.nl