Als een veldheer zijn paard, dank ik de Nederlandse taal

Bij het in ontvangst nemen van de P.C. Hooftprijs bedankt A.F.Th. van der Heijden de Nederlandse taal. Want zonder taal geen verslaggeving van sportprestaties of rampen, geen overdracht van kennis of religie.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Aan het slot van mijn nieuwe roman vangt de lezer een glimp op van een zeventienjarige jongen, die tijdens de toespraak van zijn vader op een begrafenis de aanwezigen in de aula mag fotograferen. Als onze Tonio tijd van leven had gehad, zou hij hier vanmiddag in het Letterkundig Museum ongetwijfeld zijn camera’s hebben laten klikken en zoemen – tenminste, zolang het licht hem welgezind was, anders viel er voor hem geen eer mee te behalen.

Sinds hij ons drie jaar geleden ontviel, is Tonio vaak ter sprake gebracht: niet alleen het gelijknamige boek, ook de betreurde jongeman zelf. Ik was daarom aanvankelijk van plan hem hier niet al te nadrukkelijk bij name te noemen, maar eerlijk is eerlijk: dat bleek onmogelijk. Tonio’s dood heeft mijn kijk op eigen werk, en het eventuele belang ervan, zodanig doen kantelen dat ik hem en zijn lot, nu de P.C. Hooftprijs mij voor dat werk toevalt, niet onvermeld kan laten.

Ik moet hier een term introduceren die u in de Grote Van Dale vergeefs zult zoeken, en die term luidt: verschaming – een woord uit eigen verbale huisvlijt dus. De afgelopen drie jaar zijn hele lappen van mijn geleefde leven en van mijn gepubliceerde en ongepubliceerde werk in retrospectief aangetast geraakt door een proces van verschaming – schaamtevraat, zo zou je het ook kunnen noemen, met een ander niet-bestaand woord. Ik kijk om naar een willekeurige periode uit het verleden, ik rakel een herinnering op, ik zie mezelf aan het werk... en daar is het weer: het hele landschap verschaamt.

Het is niet zomaar een grauwsluier die de Dood over alles heen legt, nee, de verschaming dringt in al het herinnerde diep door, tot op het bot van de oorspronkelijke gebeurtenis. Ik hoop dat het niet te pathetisch op u overkomt als ik beken dat de schaamtevraat zich ook ontfermt over de kleinste en onbeduidendste dingen: een gespreksflard, een goedbedoeld gebaar dat in de lucht bleef hangen, een aangeboden cadeau dat verkeerd leek uit te pakken... Alles nutteloos, belachelijk, uit de toon vallend, de plank misslaand. Elke tederheid achteraf als misplaatst of dubbelzinnig, in ieder geval schadelijk voor de ander, uit te leggen. Alles wat ik ooit ondernam, leidde immers, langs wat voor omwegen ook, tot het grote ongeluk dat ik met al mijn uitsloverij niet heb kunnen tegenhouden.

Bovenal werkt de schaamtevraat als inktvraat op al mijn geschrijf.

Voordat we hier nu met z’n allen wenend ter aarde storten, haast ik me eraan toe te voegen dat de P.C. Hooftprijs tot op heden is ontsnapt aan het proces van verschaming. Het is natuurlijk vreselijk om de bouwstoffen van je leven, en wat je altijd als je goede werken hebt beschouwd, naar de schroothoop verwezen te zien worden door een hersenschimmige aandoening, maar de schaamtevraat blijkt ook een juiste remedie tegen gemakzuchtige ijdelheid en voorbarige tevredenheid. Het is zaak de verschaming niet te laten ontaarden tot een volledig gebrek aan eigenwaarde. Men dient er een immuunsysteem tegen op te werpen, bijvoorbeeld door, om het met een olympicisme te zeggen, ‘de lat hoger te leggen’. Men probeert, met betere dan alleen maar goede werken, zichzelf te imponeren, en zo de ontbinding door schaamtevraat te boven te komen.

Ik zal u niet vermoeien met de nieuwe, aangescherpte poëtica die mijn verzet tegen de verschaming heeft opgeleverd. Mij heeft nogal eens het verwijt getroffen dat ik een hinderlijke voorkeur aan de dag leg voor het schrijven van omvangrijke, complexe romans. Wie verwacht dat ik die voortaan afzweer, komt bedrogen uit. Net als u ben ik bij geboorte neergekwakt in een zowel kosmologisch als geografisch als maatschappelijk als cultureel complexe wereld. Die complexiteit kan ik niet alleen vereenvoudigen in mijn werk, ik beschouw dat zelfs als mijn taak. Maar ik ga niet ook nog eens de bereikte vereenvoudiging versimpelen, want dan schotel ik de lezer een uitgesproken vals beeld van de wereld voor, en daar schiet niemand iets mee op.

‘Het beste is het raadsel te vergroten.’ Zo luidt het meest geciteerde aforisme van Harry MuIisch. Zo’n man, die had iets door. De pioniers van de globalisering laten te vaak en te luid hun trots horen dat ze de wereld ‘kleiner’ hebben gemaakt. ‘Jongen, je vliegt tegenwoordig in een paar uur van Amsterdam naar Melbourne.’ Ze missen de boot: het komt er juist opaan de wereld groter te maken. Meer mensen meer wereld te bieden. Ik hoef het hier niet nog eens over De tandeloze tijd te hebben, en over Albert Egberts en zijn doctrine van het ‘leven in de breedte’, om het er met u over eens te worden dat literatuur de wereld op z’n minst groter kan doen lijken dan de globalisten haar op tienduizend voet hoogte vanuit hun Boeing wensen te zien.

Om kwade tongen voor te zijn benadruk ik dat het vandaag laten verschijnen van een nieuwe roman, die de juryleden bij hun jurering nog niet konden kennen, niet bedoeld is om het juryrapport op losse schroeven te zetten. Ik wilde er slechts mee laten zien dat de P.C. Hooftprijs voor mij niet alleen een mooie afsluiting is van de gedane arbeid, maar tevens de opening naar het werk dat nog moet geschieden. Oeuvreprijs en aanmoedigingsprijs ineen – wat kan een nederig ambachtsman zich nog meer wensen?

Al kan ik me voorstellen dat in het verleden een veldheer tijdens de overwinningsrede wel eens zijn paard bedankt heeft voor het meewerken aan de gewonnen veldslag, richt een dankwoord zich doorgaans tot mensen of hun instanties. Ik weet niet of op deze plaats ooit een laureaat in plaats van zijn ouders en zijn oude leraar zijn gereedschap bedankt heeft – en dan heb ik het niet over vulpen of laptop, maar over de Nederlandse taal.

Aan de vooravond van haar abdicatie werd in een glazen huis op de Dam door de NOS een filmisch overzicht gegeven van Beatrix’ koningschap. Een prachtige documentaire met een keur van hoogte- en dieptepunten uit drieëndertig jaar bewogen Nederlandse geschiedenis. Rampen, vreugdevuren, sportprestaties. Tot mijn genoegen ontbraken de Dolly Dots niet – want ja, hé, waar was de Nederlandse cultuur in de jaren tachtig geweest zonder Dolly Dots? Er werd rijkelijk geput uit liefst drie verschillende optredens van deze topverzameling gouden keeltjes. Toch miste ik iets. In die drieëndertig jaar Beatrix, een complete christusleeftijd, leverden de Grote Drie of Grote Vier of, laten we zeggen, Grote Vijf van de naoorlogse Nederlandse literatuur nog veel van hun beste werk af. Op Willem Frederik Hermans na, die stierf in 1995, overleden ze allemaal, moegestreden, tegen het einde van Beatrix’ regeerperiode. Geen woord, geen beeld daaromtrent in dat magnifieke totaaloverzicht vol Dolly Dots en winnende doelpunten. Terwijl, je zou toch zeggen: de Nederlandse literatuur, dat is bij uitstek het laboratorium waar onze eigen taal wordt aangemaakt, levend gehouden, uitgekamd en vernieuwd. Zonder die levende taal geen plastische verslaggeving van rampen, vreugdevuren, sportprestaties. Zonder vitaal gehouden Nederlandse taal geen troonrede, geen abdicatie, geen televisie, geen glazen huis op de Dam. Zelfs de twee minuten stilte op de vierde mei kunnen het niet zonder woorden stellen.

Het voert te ver om er nu alvast voor te pleiten dat straks, bij de troonsafstand van koning Willem-Alexander in het regeeroverzicht de Nederlandse literatuur niet zal ontbreken (na ons de zondvloed, nietwaar), maar ik hecht eraan op deze plaats de Nederlandse taal te bedanken voor haar diensten door de jaren heen. Houteren Klazen die het Nederlands niet tot dansen en zingen weten te brengen, hoor je nogal eens verzuchten dat je ‘in het Engels de dingen zo heerlijk compact kunt zeggen’. Mijn ervaring met de Nederlandse taal is dat ze voor alles wat uitgedrukt moet worden, inclusief veel schijnbaar onbenoembaars, haar woorden en constructies paraat heeft, en je alleen dan teleurstelt als je eigen brein op slot zit of als de dichtader nodig gedotterd moet worden.

Begin dit jaar dreigde er weer eens een bank om te vallen. De SNS Reaal. Het omknakken werd door de Nederlandse overheid op het nippertje voorkomen door het bedrijf voor 3,7 miljard aan belastingpenningen te nationaliseren.

Bij deze uitreiking zijn nogal wat mensen uit de boekenwereld aanwezig: uitgevers, redacteuren, boekverkopers, schrijvers, vertalers. Ik hoef ze niet te vertellen wat de crisis met het vak gedaan heeft, of nog dreigt te gaan doen. Fusie en faillissement, dat zijn hier de sleutel- en vloekwoorden. Als we ons het Nederlandse boekenbedrijf met alles erop en eraan (van des schrijvers inktpot tot de portemonnee van de lezer) nou eens voorstellen als een hoog optorenend bankgebouw... waarom kunnen we ons dan niet voorstellen dat dit virtuele bankgebouw bij een dreiging van omvallen door de overheid met een kleine vier miljard euro zal worden gered?

En waaróm eigenlijk niet? Ik ben weer terug bij het Nederlands. Als het totale boekenvak door middel van schrijven, redigeren, zetten, drukken, verspreiden, verkopen - íets levert, is het taal. Een bank levert financiële diensten, wat niet eens mogelijk zou zijn zonder taal als eerste communicatiemiddel. Klinkende munt zonder woorden bestaat niet. Wereldwijd zorgt het geschreven en door kopiëring verspreide woord al een paar duizend jaar voor overdracht van kennis en wetenschap, religie en literatuur. In het Nederland van de eenentwintigste eeuw is dat niet anders. De economie, het politieapparaat, de hele samenleving... het drijft allemaal op taal. Alles wordt door taal gevoed. Alles is taal. Zelfs bezuinigen gaat niet zonder.

Als we het erover eens zijn dat een bankenketen niet kan bestaan zonder de systemen die in de loop van de eeuwen (te beginnen bij de kleitabletten van de Assyriërs) ontwikkeld zijn om gegevens vast te leggen, waarom is het dan niet vanzelfsprekend dat de overheid bij dreigende instorting van onze virtuele wolkenkrabber, in casu het Nederlandse boekenvak als geheel, met enkele miljarden bijspringt?

De wat ouderen onder u zullen zich de grijsblauw geëmailleerde vergieten herinneren waar de andijvie in schoongespoeld werd. De Eindhovense kruidenbuurt, midden jaren zestig. Zomer, middaguur: het zonlicht valt van hoog, schuin, het keukentje binnen. Een kleine jongen van een jaar of acht pakt het vergiet van het granito aanrecht, en zet het omgekeerd op zijn witblonde hoofd. Het wiebelt een beetje op het hoogpolige stekeltjeshaar, hangt dan stil in wankel evenwicht: een soldatenhelm uit de Eerste Wereldoorlog. De spoelgaatjes van het vergiet zijn in groepjes van negen in het metaal gedreveld, en hier en daar naar elkaar doorgeroest tot een grotere opening. De zon projecteert zo’n grillig gevormd roestgat op de tere, roze oorschelp van het jongetje, waar het een klavertje vier vormt van het puurste licht.

En ik die ernaar kijk.

Ik was veertien, vijftien. Later, thuis, probeerde ik het beeld in woorden te vangen. Natuurlijk mislukte het, maar ik zal het naamloze kereltje altijd dankbaar blijven voor zijn pose, die me voor ‘t eerst naar mijn schrijftafel dreef met een andere bedoeling dan het maken van achterstallig huiswerk.

Soms stuit een mens op enkele dichtregels die zich tot hem persoonlijk lijken te richten. Mij overkwam dat onlangs met de laatste strofe van een nieuw gedicht, getiteld ‘Mannen, vrouwen’, van collega en lotgenote Anna Enquist. Ik citeer de regels hier tot slot:

‘Als zijn kind sterft, wordt de man moeder,’ zegt de schrijver. Gekromd om een kostbare leegte, uitgeput door het herinneren, blind voor winst en verlies. Buiten regent het medailles, binnen gloeit de ruimte tussen twee armen.

Dit is een licht ingekorte versie van het dankwoord dat A.F.Th. van der Heijden uitsprak bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs vandaag.