Samen met Duitsland

Voor een klein land als Nederland is het meer dan ooit noodzakelijk om op militair gebied de samenwerking met andere landen uit te breiden en te intensiveren. De gedachte dat de Nederlandse krijgsmacht nog op eigen houtje kan opereren, is allang een illusie.

Voor een groot land als Duitsland is samenwerking weliswaar niet noodzakelijk, maar toch ook aantrekkelijk. Gelijkgestemde militaire partners bieden niet alleen de mogelijkheid op allerlei gebied efficiënter te opereren. Ze kunnen zonodig ook politieke dekking geven aan een land dat vanwege zijn geschiedenis niet graag alleen komt te staan, en al helemaal niet in militaire zaken.

In Berlijn tekenden de Nederlandse minister van Defensie Hennis-Plasschaert (VVD) en haar Duitse collega De Maizière gisteren een ambitieus plan om de al jaren bestaande samenwerking ingrijpend te versterken. Was De Maizière een dag eerder met zijn Poolse collega Siemoniak samenwerking tussen hun beide marines overeengekomen, de plannen met Nederland betreffen álle krijgsmachtonderdelen.

Zo zal de Luchtmobiele Brigade volgend jaar geïntegreerd worden in de Duitse Division Schnelle Kräfte, en daarmee onder Duits bevel komen. De bedoeling van deze verregaande maatregel is dat de troepen makkelijker samen ingezet kunnen worden, en dus meer gewicht in de schaal kunnen leggen.

Voor de Duitse en Nederlandse Patriot-luchtafweerraketten, die nu al samen ingezet worden in Turkije, moet er een gezamenlijke staf komen om de eenheden aan te sturen. Ook op het gebied van opleiding en oefeningen zullen de twee landen meer samen gaan doen, evenals bij het onderhoud van materieel.

Al jaren praten alle Europese landen over dit soort ideeën. Het is goed dat Nederland en Duitsland er nu werk van gaan maken. Maar eenvoudig zal het niet zijn. De strijdkrachten van Nederland en Duitsland mogen goede ervaringen hebben met samenwerking – onder meer op de Balkan en in Afghanistan. En over de inzet van militairen loopt het denken in beide landen vaak parallel. Maar dat neemt niet weg dat er cultuurverschillen bestaan, die van beide partijen begrip, geduld en doorzettingsvermogen vragen om deze lijst samenwerkingsplannen succesvol in de praktijk te brengen.

Daarbij komt dat het bij militaire zaken over leven en dood gaat – daarvoor de verantwoordelijkheid delen is niet eenvoudig. Van oudsher is dat een zaak van nationale soevereiniteit. In de praktijk is die soevereiniteit ook op militair terrein al gedeeld met andere landen. Maar het zou goed zijn als dat ook erkend wordt in het politieke debat, waar minister Hennis in Berlijn een aanzet toe gaf.