Oude film is dood, waar is de nieuwe?

Duitsland was ooit een toonaangevend filmland. Dat is lang geleden. Wellicht dat een hit als Oh Boy daar nu verandering in brengt.

Er was een tijd dat de Duitse cinema wereldwijd succesvol was, een beetje te vergelijken met wat er nu gebeurt met Scandinavische tv-series die in veel landen hoge kijkcijfers halen en waarvan de dvd’s als warme broodjes over de toonbank gaan. Maar dat is wel lang geleden.

De eerste succesperiode van de Duitse film valt tussen 1919 en 1929: de opkomst van het (film-)expressionisme, met als belangrijkste titels Das Cabinet des Dr Caligari (1920) en Nosferatu (1922). Het artistieke succes van het internationaal zeer invloedrijke expressionisme, met z’n chiaroscuro-belichting en vertekende decors, werd ook omgezet in harde valuta die weer terugvloeiden naar de filmindustrie. Die financierde steeds ambitieuzere producties, zoals Fritz Langs sciencefictionklassieker Metropolis. Voor zijn megaproject huurde Lang 800 acteurs en 30.000 figuranten. De opnames duurden langer dan een jaar: 310 dagen en 60 nachten. Het betekende het einde van het feest: de inkomsten, ook uit het buitenland, wogen niet langer op tegen de kosten. De Ufa-studio raakte in de problemen en moest gered worden met Amerikaans geld. Als tegenprestatie moest Duitsland zijn markt meer openen voor Amerikaanse films – een situatie die tot op heden voortduurt.

De tweede periode waarin de Duitse cinema artistiek iets voorstelde, was tussen ruwweg 1965 en 1980, de hoogtijdagen van de Neue Deutsche Film (of Junger Deutscher Film). Deze zette zich, net als elders in Europa, af tegen de oude generatie. ‘Papas Kino ist Tot’ werd het motto of, zoals het Manifest van Oberhausen het in 1962 verwoordde: „De oude film is dood. We geloven in de nieuwe.” Met die oude cinema werd vooral de oerconservatieve, nostalgische Heimatfilm bedoeld, die in de jaren vijftig enorm populair was. Een nieuwe generatie filmmakers, vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren, eiste haar plek op en kreeg die ook. Er kwam een nieuw subsidiesysteem, er werd een filmacademie opgericht en al snel waren er resultaten: films die overal ter wereld prijzen wonnen, maar in eigen land nauwelijks bekeken werden. De bekendste namen uit die tijd, naast de kleurrijke, jong gestorven R.W. Fassbinder, maken nog steeds films: Wim Wenders, Werner Herzog, Volker Schlöndorff en Edgar Reitz (van de tv-serie Heimat). Ook vrouwelijke regisseurs grepen hun kans, onder wie Margarethe von Trotta, wier recente Hannah Arendt nog in de filmhuizen draait.

De laatste decennia zit Duitsland in hetzelfde schuitje als de Nederlandse film: er is een grote discrepantie tussen de arthousefilm en de populaire commerciële film, een middengebied is er nauwelijks. Het marktaandeel Duitse films is in eigen land rond de 20 procent – voornamelijk op het conto te schrijven van komedies. De beste filmhuisfilms trekken hooguit een paar honderdduizend bezoekers en worden slechts mondjesmaat geëxporteerd naar het buitenland. Het subsidiesysteem ligt onder vuur, ook in Duitsland klinkt de roep om meer marktwerking. Het is überhaupt lastiger geworden films te financieren, maar ook meedoen met grote internationale coproducties, zoals de twee jaar geleden overleden producent Bernd Eichinger deed met bijvoorbeeld The Name of the Rose, lukt nauwelijks meer, met Cloud Atlas als uitzondering op de regel.

Sporadisch leidt de Duitse film nog tot opwinding (en hoge bezoekersaantallen, ook in de Nederlandse bioscopen): Lola Rennt, Der Untergang, Das Leben der Anderen, Gegen die Wand en Good Bye, Lenin. En nu is er Oh Boy van Jan Ole Gerster, een filmhuishit en winnaar van zes Lola’s, de belangrijkste Duitse filmprijzen. Er is weer een sprankje hoop op een betere toekomst.