Lol trappen, rijk worden

Voor een dvd-film ter ere van hun veertigjarig bestaan trokken The Eagles, een van de best verkopende bands van de 20ste eeuw, hun archief met homevideo’s open. Met soms pijnlijk resultaat.

Joe Walsh, Randy Meisner, Don Henley, Glenn Frey and Don Felder of The Eagles perform on stage at Ahoy on May 11th 1977 in Rotterdam, Netherlands. (Photo by Gijsbert Hanekroot/Redferns) Redferns

Het is moeilijk kiezen, maar het lastigste portret in de Amerikaanse supergroep The Eagles moet toch wel de nukkige tobber Don Henley zijn.

Henley, een begenadigd zanger wiens schorre stemgeluid de klassieker Hotel California draagt, schreef op tournee in de jaren zeventig in zijn hotel ooit een brandbrief aan het kamermeisje. Om uit te leggen waarom de wc-rollen op het toilet met het losse velletje naar voren moesten hangen en niet naar achteren. Anders had de fabrikant de bloemetjes wel aan de binnenkant gedrukt, begrijpt u?

Een snuif cocaïne en de meligheid van een verveelde rockster zullen daar niet vreemd aan zijn geweest – maar de anekdote past ook bij Henley, een control freak die zich continu zorgen maakte over details én grote lijnen. „Niemand kan de lol sneller uit een kamer zuigen dan Don Henley’’, merkte zijn muzikale partner Glenn Frey eens over hem op. Later ontpopte Henley zich tot natuurbeschermer, lang begeerde vrijgezel en cultuurpessimist.

De geautoriseerde documentaire History of the Eagles (2 dvd’s), verschenen bij het 40-jarig bestaan van de band, behandelt de hele geschiedenis van de Californische groep, die in 1980 uit elkaar viel door hardnekkige ruzies, maar sinds 1994 herenigd is en als multimiljonairsact over de wereld trekt. Ze zijn hun eigen beste coverband geworden. Maar er was ook, eindelijk, een nieuwe cd, Long Road Out Of Eden (2007), met geïnspireerd nieuw materiaal dat toch heel vertrouwd klonk.

De heftige ruzies smeulen nog wel na, getuige het zure „Mr. Felder’’ waarmee Henley verwijst naar Don Felder, de sologitarist van de groep wiens verzet tegen de artistieke en zakelijke heerschappij van Frey en Henley in 1980 de aanleiding was voor de breuk. Bij een concert in Long Beach gingen Frey („Nog drie nummers en ik sla je in elkaar’’) en Felder („Kom maar op’’) bijna op de vuist en was het voorbij. Frey verwijst in de documentaire nog naar hem als „de enige klootzak in de band’’.

Van die botsing op het podium zijn in de documentaire geluidsfragmenten te horen, zoals de dvd’s ook niet eerder vertoonde, korrelige homevideo’s bevat van de bandleden in de wilde jaren zeventig of van een dansend naakt meisje bij een concert.

Die fragmenten maken de documentaire iets meer dan een hagiografie, maar niet véél meer. De door drugs aangejaagde verwijdering tussen Frey en Henley, bijvoorbeeld, die elkaar rond die tijd ook niet meer konden luchten of zien, wordt met de mantel der liefde bedekt. Ook onder adelaren wordt de geschiedenis geschreven door de winnaars. Het drankprobleem van gitarist Joe Walsh komt wel uitgebreid langs – met mededogen, maar toch.

Van spelverdeler Frey, die als 64-jarige op een minder zonnige Ronald Reagan kan lijken, valt op hoe hard hij nog steeds oordeelt over onaangepaste collega’s, al ligt het woord fun hem in de mond bestorven. De adelaren zijn, en blijven, voor hem en Henley in de eerste plaats een smetteloos Amerikaans product.

De verongelijkte Felder, die het nummer Hotel California componeerde, krijgt een zielig bijrolletje in de film, en het wordt hem bijna te veel als het over de breuk gaat. Hij maakte de reünie in 1994 mee, maar werd na nieuwe conflicten in 2001 uit de band gezet door Frey en Henley, sindsdien alleenheersers in de onderneming Eagles Limited. De andere vaste leden van de band, Walsh en bassist Timothy B. Schmitt, zijn in feite (zeer goed betaalde) ondergeschikten. Zo gek is dat trouwens ook weer niet, want Frey en Henley schreven het overgrote deel van het repertoire.

Het blijvende succes van The Eagles – hun Best Of The Eagles is een van de best verkochte album van de 20ste eeuw – maakt duidelijk hoezeer de muzikale erfenis van de jaren zeventig een lucratieve markt is geworden. Hun reputatie van gehaaide ondernemers maken Henley en Frey waar met concerten van Dubai tot Singapore, met luxe kaartjes voor 895 dollar of meer. Maar dan heb je ook een stoel in de eerste rijen, een VIP-behandeling (aparte toegang tot de zaal) en een Eagles goody bag.

Helaas is de tweede dvd, over de periode na de reünie, een stuk minder interessant, ondanks de conflicten die erin aan bod komen. Platenmogul David Geffen, die een juridische oorlog uitvocht met Henley, maakt een rake opmerking over hem als „geboren malcontent’’. Maar historische duiding ontbreekt en dat is een gemis. Want met al zijn megasucces is deze band toch altijd meer een bijverschijnsel geweest dan een hoofdzaak. Geen muziek die de wereld op zijn kop zet, zoals vóór hen de Stones en na hen de punk, maar eerder een gepolijste soundtrack voor een generatie die wel even genoeg had van de ellende van Watergate en Vietnam, zoals het gewezen lid Bernie Leadon op de eerste dvd al terloops opmerkt.

Frey bevestigt dat impliciet, als hij zegt: „Mensen luisterden niet alleen naar The Eagles, ze déden dingen bij de muziek van The Eagles. Op pad gaan met je vrienden, het uitmaken met je vriendin.’’ Een Amerikaans geluid dat aanspreekt van Zuid-Afrika tot Beijing. De hele wereld is nu California Dreaming.

De ironie blijft intussen dat het tobben en bekvechten in de band – een reprise van de ego-oorlogen in eerdere supergroepen als Crosby, Stills, Nash and Young – merkwaardig afsteken bij het soepele, geperfectioneerde karakter van de muziek. Waarom zo moeilijk doen over nummers als Victim Of Love?

Alleen Henley, steeds meer een conservatieve moralist, onderstreept in de film nog dat The Eagles ook „maatschappijkritiek’’ leveren, in een troubadourstraditie die al bestaat „vanaf de Middeleeuwen’’. Dat lijkt niet meer dan bladgoud, maar ook dát is deel van de aantrekkingskracht van The Eagles: hun dubbelzinnige kritiek op de hedonistische Hollywoodcultuur waar ze op afgeven, maar waar ze ook alles aan te danken hebben en die ze voor geen (echt) goud hadden willen missen.

Frey, de rocker afkomstig uit Detroit, lijkt daar niet om te malen; hem ging het altijd al om fun en profit: muziek maken, lol trappen en rijk worden. Hij doet ook niet ingewikkeld over zijn voorwaarden om destijds weer te gaan samenwerken: „Ik zei: ik doe het niet, tenzij Don en ik er meer geld voor krijgen dan de rest.’’ Ja, een rockband is geen democratie of ‘hippiecommune’’. Het is meer, zegt Frey kenmerkend, een ‘sports team’’.

Inmiddels is dat sportsteam mondiale muzak geworden. En zoals Henley zegt, in een reactie op Neil Youngs leus dat It’s better to burn out than it is to rust: „In mijn ogen ziet roest er best goed uit. Het staat voor ervaring.’’

Waar. Maar uit John Lennons mond klonk die kritiek op Young toch overtuigender.

Van de dvd is ook een luxe editie verkrijgbaar, met een live-cd van een concert uit 1977. O ja, en een Super Deluxe Limited Edition, voor 299,99 dollar.

Très Eagles.

History Of The Eagles - The Story Of An American Band. Div. dvd-edities, Universal Music