Kom werken, kom uitgeven

Nederland wil meer studenten uit het buitenland Zaterdag gaat een wet in die hun komst nog makkelijker moet maken Zij stimuleren de kenniseconomie en brengen geld op Vooral als ze blijven na hun studie

Maximaal twee jaar blijven. Dat was het oorspronkelijke plan van de Chinese Didi Qian (30), toen ze voor haar master Horticulture naar Nederland kwam. „Mijn grootvader had een grote tuin met planten, hij inspireerde me om in China een bachelor horticultuur te volgen. Maar in Nederland zijn ze veel verder op dat gebied, alle geavanceerde oplossingen voor tuinbouw kwamen uit Nederland. Dus daar wilde ik heen.” Haar ouders betaalden het collegegeld, haar vriendje liet ze even achter. „We zagen het als investering in de toekomst.”

Maar acht jaar later woont ze hier nog. Met haar man (het toenmalige vriendje) en hun tweejarige dochter. Nog één paper moet ze inleveren, dan heeft ze ook haar PhD-titel. Die mooie baan is al binnen: ze werkt bij tuinbouwbedrijf GreenQ als regioleider voor de Chinese markt. „Ik had niet gedacht dat ik het zo fijn zou hebben in Nederland. Ik kan me hier blijven ontwikkelen.”

Niet alleen Qian kan tevreden zijn. Ook Nederland zal blij met haar zijn. Haar studie betaalde ze zonder steun van de Nederlandse regering, maar door haar buitenlandse nationaliteit zorgde ze in de collegebanken wel voor de gewilde ‘international classroom’. Door haar Chinese achtergrond draagt ze bij aan een internationaal perspectief op onderzoek en onderwijs, en leren Nederlandse studenten omgaan met andere culturen. Allemaal zaken die bijdragen aan de kenniseconomie van Nederland.

En: nu ze in Nederland werkt, betaalt ze belasting. Flink veel, dankzij haar hoge opleiding heeft ze immers een goede baan. Zonder dat Nederland haar de eerste helft van het leven moest onderhouden. Bovendien is de kans groot dat áls Qian oud wordt, ze weer terug naar China gaat.

Stiekem best ideaal natuurlijk.

Daarom doet Nederland hard z’n best om meer internationale studenten te trekken. Met voorlichtingscampagnes in het buitenland, beurzen voor talentvolle studenten en inmiddels al zo’n 1.700 studies die volledig in het Engels worden gegeven. Zaterdag gaat de ‘Wet Modern Migratiebeleid’ in, die toelatingsprocedures voor buitenlandse studenten van buiten de EU nog sneller en efficiënter gaat maken. Ze hoeven niet meer elk studiejaar opnieuw een verblijfsvergunning aan te vragen, maar krijgen er gelijk een voor de duur van hun studie.

De Nederlandse aanpak werkt: het aantal internationale studenten dat hier een volledige opleiding komt volgen, groeit jaarlijks. Inmiddels vormen zij 8,4 procent van alle studenten, in totaal ruim 56.000 studenten. Duitsers zijn verreweg de grootste groep (45 procent), gevolgd door de Chinezen (7,6 procent) en Belgen (4 procent). De helft gaat naar het hbo, de andere helft naar de universiteit.

Maar één ding loopt mis: ze blijven niet plakken. Hoewel tweederde van tevoren zegt dat ze na hun studie in Nederland willen blijven werken, laten cijfers van het IND zien dat uiteindelijk maar 20 procent daadwerkelijk blijft. „Daar ligt nu onze grootste taak”, zegt Dirk Haaksman van de Nuffic. Nuffic promoot Nederlands hoger onderwijs in het buitenland. „We moeten ze verleiden om juist ná hun studie een tijd in Nederland te blijven werken.” Dan gaan ze immers belasting betalen.

In april kwam de Sociaal Economische Raad (SER) met het rapport ‘Make it in the Netherlands!’ waarin ze voorstellen deden hoe het ministerie van Onderwijs de studenten (tijdelijk) kan behouden voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Zoals meer voorlichting geven, trainee-ships aanbieden en een fijne studietijd bieden. Want het is economisch de moeite waard: het CPB berekende vorig jaar wat het de staat oplevert als 19 procent van de studenten in Nederland besluit te blijven werken: ongeveer 740 miljoen euro per jaar (zie kader).

Waarom trekken ze weg? Volgens de studenten hebben Nederlandse werkgevers weinig interesse. Lijkt logisch, in deze tijd van werkeloosheid. Maar volgens Nannette Ripmeester (48), oprichter van het Expertise in Labour Mobility, een consultancy- en onderzoeksbureau voor internationale markten, zit het bedrijfsleven juist wél op ze te wachten. „Juist in deze tijd van mondialisering is er behoefte aan internationale werknemers.” Bovendien is bètatechniek een van de populairste studierichtingen voor internationale studenten en heeft Nederland een tekort aan techneuten.

De komende jaren loopt het tekort aan goed geschoolde technici volgens de overheid op tot meer dan 150.000 mensen in 2016. Ripmeester: „Nederlandse bedrijven zijn vaak onvoldoende op de hoogte van de wet- en regelgeving rond internationale werknemers. Multinationals zoals Shell hebben daar natuurlijk wel ervaring mee, maar kleinere bedrijven denken al snel: here comes trouble. Maar iemand aannemen uit een EU-land is ontzettend makkelijk.” Om studenten zelf ook de kans te geven zo veel mogelijk te solliciteren, krijgen ze na het diploma een jaar een verblijfsvergunning met het doel een werkgever te zoeken: het ‘zoekjaar’.

Halleh Khoshnevis (26) uit Iran begon drie jaar geleden aan de Master Computer science aan de TU Delft, met als specialisatie kunstmatige intelligentie. „Ik onderzoek bijvoorbeeld de emoties van mensen, aan de hand van wat ze schrijven.” Eenmaal klaar was er belangstelling voor studenten met deze afstudeerrichting. Maar ze wilden dan wél iemand die Nederlandse teksten kan ontleden, geen Engelse. „Ik had me niet gerealiseerd dat het zo’n probleem zou zijn”, vertelt Khoshnevis. „De master was in het Engels, Nederland is zo’n internationaal land.”

Maar volgens Marja Oppenoorth van werkbemiddelingsbureau Supair, verbonden aan de TU Delft, is het voor veel bedrijven toch een vereiste dat je (wat) Nederlands spreekt. Zij begeleidt al zestien jaar afgestudeerden naar een baan. „Studenten nemen geen tijd om Nederlands te leren. Logisch, want ze komen hier voor een opleiding in hun vakgebied. Maar een paar woorden Nederlands zou al zo veel schelen.”

Khoshnevis wilde eigenlijk terug naar Iran, waar ze met haar Nederlandse master wél een baan in haar vakgebied kon vinden. „Al zijn de salarissen daar lager.” Maar al tijdens haar afstuderen kreeg ze een baan aangeboden als IT’er bij HostNet, waar ze automatische domeinregistraties ontwikkelt. Dat ze ondertussen ook een Nederlandse vriend had, gaf de doorslag: ze bleef. „Het is heel anders dan waar ik voor ben opgeleid. Dat maakte niet uit, ze wilden gewoon graag iemand van de TU Delft. Dat ik Engels spreek, is geen probleem, al mijn collega’s zijn internationaal.”

Want belangrijker dan de taal die je spreekt, belangrijker dan de precieze cijfers of studierichting, is uiteindelijk de klik tijdens het sollicitatiegesprek. Oppenoorth: „En ook dat is voor internationale studenten lastig. Ze komen naar Nederland, studeren 2,5 jaar keihard, wonen vaak op de campus en hebben soms nauwelijks interactie met Nederlanders.”

Iemand die dat goed begrepen heeft, is de Duitser John Wilken (25). Als afgestudeerd econoom aan de Erasmus Universiteit moest hij concurreren met Nederlandse kandidaten in zijn vakgebied. Toch kreeg hij gelijk een baan als managementtrainee aangeboden bij een groot bedrijf, terwijl studiegenoten stages aannemen. „Ik heb geluk gehad”, vindt hij zelf. Maar is dat ook zo? Wilken is geboren in Duitsland, heeft daarna high school in Amerika gedaan en besloot vervolgens in Nederland naar de universiteit te gaan. Hij is bewust niet in de campuswoningen voor internationale studenten gaan wonen, maar zocht een huis in de binnenstad. En vanaf het begin van zijn studie is hij al actief bij een rugbyclub. Wilken: „Het klinkt gek, maar door rugby had ik voorsprong tijdens het solliciteren. Veel recruiters zijn native english speakers, ze komen uit landen waar rugby een grote sport is. Dan heb je gelijk iets om over te praten.”

Wilken denkt na Nederland nog in andere landen te gaan werken. Maar zelfs dan heeft zijn studietijd hier toch nut gehad, denkt Dirk Haaksman van Nuffic: „We rekenen erop dat Nederland een warme plek in zijn hart heeft. Op de lange termijn is dat interessant voor onze handelsrelaties. Het zijn vaak talentvolle, ambitieuze studenten die later op goede posities komen. Je weet nooit of die student misschien de minister van Buitenlandse Zaken wordt.”