Duur broodje

‘Wie is er aan de beurt?”, vroeg het winkelmeisje van de bakker terwijl ze blijmoedig over de toonbank keek.

Het kan een geladen vraag zijn in zo’n volle zaak op zondagmorgen, als iedereen snakt naar zijn vrije tijd ná de boodschappen. Voor mij speelde het nog niet, ik was net binnen en berustte in mijn lot. Maar het oudere echtpaar bij de toonbank stond plotseling schouder aan schouder met een man, die geruisloos was doorgebroken naar de voorste linie. Je hebt van die mensen die daar hun hobby van maken.

„Ik weet het niet”, zei de man terwijl hij glimlachend naar het echtpaar keek. Hij droeg een verfijnd, fluwelig jasje en bezat het soort zilvergrijze haar waar ik altijd een beetje jaloers op ben: het geeft je waardigheid zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Ik noem het ook wel ‘hoofdredacteurenhaar’, hoewel ik toch maar twee hoofdredacteuren heb gehad met zo’n prachtige bos.

Het echtpaar aarzelde, wat je in zo’n situatie nooit zal helpen. De grijze man dook meteen het vacuüm in en zei, terwijl hij zijn hoofd al naar het winkelmeisje draaide: „Ik heb ook maar een klein broodje nodig.” Slag gewonnen.

„We hebben ook tijd genoeg”, vergoelijkte de man van het echtpaar zachtjes tegen zijn vrouw. Het was een vergeefse poging om zijn gezag te restaureren.

De man nam zijn broodje tevreden in ontvangst, de aanblik ervan leek hem zelfs nog hongeriger te maken. „Doe me ook nog maar twee muffins.” Hij wierp een vluchtige, verontschuldigende blik op het echtpaar en zei: „Het schoot me opeens te binnen.”

Het meisje liep naar een ander deel van de zaak, waar ze op een collega moest wachten die het muffinvak in de vitrine versperde. Toen ze zich weer meldde, was de man nog een nieuwe bestelling te binnen geschoten. „Een half pond van die gezouten noten lijkt me ook wel lekker”, wees hij naar een bak op de toonbank.

Hij kreeg zijn noten.

De vrouw van het echtpaar plantte een elleboog in de zij van haar man en zei bijna hardop: „Dat wordt een duur broodje.”

De grijze man deed of hij niets hoorde en bestelde ook nog „een stuk Beemsterkaas en twee ons van die heerlijke roompaté”. Het was een culinaire genieter die zorgvuldig zijn zondagmiddaglunch samenstelde. Niets mis mee, toch?

Hij moest ruim 20 euro afrekenen, maar ook dat wilde niet echt vlotten. „Ik doe het nog een keer over”, zei hij grootmoedig.

Hij stopte zijn boodschappen kalm in een tas op wieltjes, groette het winkelmeisje beleefd, keek het echtpaar niet meer aan en verliet voldaan de winkel. Het leven lachte hem ook buiten hartelijk tegemoet, de lentezon scheen eindelijk aan een strakblauwe hemel.

„Wát ’n vent”, zei de vrouw van het echtpaar uit de grond van haar getergde hart. Haar woorden waren duidelijk niet alleen voor haar man, maar ook voor de andere getuigen bestemd. Er klonk een vaag instemmend gemompel dat zich bewust leek van de eigen machteloosheid. De brutalen hadden weer eens de halve wereld in hun binnenzak gestoken, maar wat doe je eraan?

De vrouw van het echtpaar deed haar bestelling en vroeg er nog ‘een zegeltje’ bij. Het winkelmeisje knikte. „Ik geef u er ook de zegels van die meneer bij, want dat leek natuurlijk nergens op”, zei ze.

„Wat krijg je daarvoor?” vroeg de man aan zijn vrouw.

„Een fles wijn van 4 euro als je kaart vol is”, zei ze.

Daarmee was veel goedgemaakt.