Zo ontmoedigt men lezen op school

Geen wonder dat slechts een op de tien kinderen lezen leuk vindt, schrijft Jacques Vriens. Pabo-leerlingen hoeven niet eens meer kinderboeken te lezen.

Ons land telt bijna zevenduizend basisscholen. Ongeveer de helft daarvan heeft dit jaar meegedaan met de Nationale Voorleeswedstrijd. Dat klinkt mooi, maar dat is het niet.

Natuurlijk krijgen scholen veel op hun bordje (van gezond gebit tot kinderpostzegels) en moeten er keuzes gemaakt worden. Maar lezen en voorlezen zijn essentiële activiteiten die zonder al te veel moeite geïntegreerd kunnen worden in het onderwijs. Daarom is het verbazingwekkend dat slechts de helft van alle basisscholen meedoet aan de Nationale Voorleeswedstrijd. Je begint als leerkracht met een voorronde in je klas en kiest samen met de kinderen de beste voorlezer uit. Dan volgt de finale op school en daarna de regionale en provinciale finale. En tenslotte bestaat de kans dat een leerling van jouw school mag voorlezen op de landelijke finale in Utrecht. Wie wel eens zo’n wedstrijd heeft bijgewoond, weet dat het leesplezier ervanaf spat.

Uit een internationaal onderzoek onder negenenveertig landen (van Zuid-Afrika tot Finland) blijkt dat Nederland op een (redelijke) dertiende plaats staat wanneer het technisch lezen betreft, dus het foutloos kunnen voorlezen van een rij woordjes. Maar als het om leesplezier gaat, hangt ons land onderaan: slechts 10 procent van de onderzochte Nederlandse kinderen zegt lezen écht leuk te vinden.

Dat is een zorgelijk cijfer, want leesplezier betekent je daadwerkelijk in een tekst verdiepen, een verhaal worden ingetrokken of worden meegevoerd in een interessant betoog. Lezen is verbeelding, televisie in je eigen hoofd, maar ook kennis, empathie en intimiteit. En concentratie, want kinderen gebruiken op steeds jongere leeftijd e-readers, iPads en andere moderne hulpmiddelen. Waar dat toe leidt is nog niet helemaal te overzien, maar duidelijk is wel dat moderne media vaak vluchtig zijn en veel hectiek met zich meebrengen. Lezen geeft rust en verdieping. Niet voor niets nemen steeds meer jongeren hun toevlucht tot de bibliotheek om ongestoord te kunnen studeren en komt de oude ‘leeszaal’ weer terug.

Leesplezier is leeservaring en die heb je hard nodig. Wanneer de juf of meester zegt: „We hebben het uitgebreid over ‘Nederland waterland’ gehad, daarom voor de volgende keer goed lezen blz. 11 t/m 20 uit je aardrijkskundeboek”, hoeft een kind niét te denken: hoe kom ik in hemelsnaam door al die zwarte tekentjes heen? Nee, het begint te lezen en is met de inhoud bezig.

Diezelfde juf of meester zal er dus voor moeten zorgen dat kinderen lol in lezen krijgen en dat begint met veel voorlezen en minstens vier keer per week een half uur ‘vrij lezen’.

Vaak hoor ik als excuus dat daarvoor de tijd ontbreekt, omdat er steeds meer getoetst moet worden in het kader van het ‘opbrengstgericht’ werken. Leesplezier is daarentegen niet direct meetbaar, dus moet je als school stevig in je schoenen staan om daarvoor toch tijd vrij te maken. Dat levert op korte termijn niet meteen een ‘score’ op, maar betaalt zich wel uit op langere termijn.

Als kinderboekenschrijver bezoek ik regelmatig scholen en zie ik nog (te) veel plekken waar de animo voor lezen in het verdomhoekje zit. Het begint al met het ontbreken van een goede schoolbibliotheek die dagelijks open is. Vaak mogen kinderen een keer per veertien dagen hun boek ruilen in de plaatselijke bibliotheek. Je zult maar net een boek hebben waar je niks aan vindt: zit je daar twee weken lang tegen heug en meug te lezen.

Laatst liet een juf mij vol trots het formulier zien dat kinderen moesten invullen als ze een boek gelezen hadden. Heb je eindelijk een boek uit, mag je nog een half uur administratie doen! Er zijn leukere manieren om te evalueren.

De Stichting Lezen is bezig om samen met bibliotheken en gemeentes steeds meer schoolbibliotheken in te richten. Een hoopvolle ontwikkeling, maar het blijft verbazingwekkend dat scholen daar niet allang zelf voor gezorgd hebben. Inmiddels dreigt dit project te stagneren door bezuinigingen.

Gelukkig ontmoet ik ook leerkrachten die tegen de verdrukking in doorgaan met leesbevordering door desnoods hun eigen boeken mee naar school te nemen. Maar tot mijn grote schrik ontdekte ik onlangs dat op de meeste pabo’s de toekomstige juffen en meesters niet meer verplicht zijn om kinder- en jeugdboeken te lezen. Hoeveel enthousiasme zullen deze leerkrachten hiervoor dan nog kunnen opbrengen als ze straks zelf voor de klas staan?

De Stichting Lezen start in september met een ‘pilot’ op enkele pabo’s om studenten (die dat willen) enthousiast te maken voor kinder- en jeugdboeken. Een prima initiatief, maar eigenlijk te gek voor woorden dat dit nodig is.

Gelukkig doen dit jaar vrijwel alle pabo’s mee met de Nationale Voorleeswedstrijd voor pabo’s. Dat stemt in elk geval een beetje hoopvol.

Jacques Vriens is oud-basisschooldirecteur, auteur en eerste kinderboekenambassadeur.

    • Jacques Vriens