Willekeur in wietland

De regulering van de wiethandel in Nederland begint nu zelf hallucinante trekjes te vertonen. Dit kabinet schafte de wietpas af: Nederlanders hoeven geen lid van een cannabisclub meer te worden. Tegelijk bleef de verkoop aan buitenlanders verboden, maar ‘lokaal maatwerk’ was volgens minister Opstelten (Justitie, VVD) mogelijk.

Dat is een vrijbrief geworden voor burgemeesters om dit verbod te negeren. In cannabishoofdstad Amsterdam wordt buitenlanders die wiet willen kopen traditioneel geen strobreed in de weg gelegd.

Uit een recente enquête van de cannabisbranche bleek dat het buitenlanderverbod alleen in Zuid-Nederland bestaat. En ook daar wordt maar sporadisch gecontroleerd en geverbaliseerd. Alleen Maastricht is een uitzondering. Daar voert burgemeester Onno Hoes (VVD) deze weken campagne tegen buitenlandse wietkopers. De politie deed er de afgelopen dagen invallen in coffeeshops die uit verzet tegen de rechtsongelijkheid de verkoop aan buitenlanders hadden hervat. Opstelten kende de stad extra politiecapaciteit toe. Kamerlid Peter Oskam (CDA) noemde Hoes al een ‘held’. En nu staat Hoes onder druk van de gemeenteraad, die hem gisteren dwong verkoop aan buitenlanders weer toe te laten, maar dan net buiten de stad, op de nog te realiseren ‘wietboulevard’.

De vraag is nu of Hoes de dappere Asterix is die zijn dorpje namens Opstelten verdedigt tegen de Buitenlandse Wietkopers of Don Quichot die tegen windmolens vecht. Een onervaren bestuurder die in de val is gelopen van een kabinet dat een onuitvoerbare maatregel haastig het regeerakkoord in frommelde. Een maatregel waar andere burgemeesters hun vingers niet aan willen branden – bijvoorbeeld omdat sommige delen van de binnenstad van Amsterdam al sprekend lijken op een wietboulevard voor buitenlandse toeristen. Waaraan praktisch gesproken geen einde valt te maken, anders dan tegen hoge kosten en met grote schade, onder meer voor de lokale economie.

Minister Opstelten, hoeder van de rechtsstaat, heeft zich in de nesten gewerkt. Een verbod voor buitenlandse kopers dat niet wordt gehandhaafd, of alleen in Zuid-Nederland en daar willekeurig. Wat moet de strafrechter daarvan maken? Is dat een neutrale overheid, die zonder aanzien des persoons optreedt, die fair is en de burger overal in Nederland hetzelfde behandelt? Of is ‘lokaal maatwerk’ een eufemisme voor het overboord knikkeren van de belangrijkste waarde van de rechtsstaat? Namelijk een voorspelbare overheid die zich aan de regels houdt en in evenredigheid recht doet aan allen die door haar geraakt kunnen worden? Dat is hier dus niet het geval.