Column

Misdaad als economie met andere middelen

Nu Willem Holleeder opnieuw is opgepakt in het kader van een grote justitiële operatie, tekent zich langzaam een leven af dat zo te zien eindigt in een eindeloze reeks van vervolgingen, pogingen daartoe en ander ongerief. De verre toeschouwer blijft staan met een heel oude vraag: loont misdaad?

Opmerkelijk genoeg bevinden de antwoorden daarop zich overweldigend in het domein van het recht, de geesteswetenschappen, moraliteit en levensbeschouwing, maar relatief zelden in de economie. En dat terwijl de kwestie door economen best interessant zou moeten worden gevonden. Het gaat hier in zekere zin toch om economisch gedrag: activiteit met als doel een streven naar levensonderhoud of liever nog welstand.

Over de sociaal-economische context van misdaad is zat te vinden: opleiding, sociale klasse, omstandigheden in de jeugd en uitzichtloosheid. De typische ‘misdadiger’ maakt in wezen een short cut, hij of zij snijdt de lange weg via opleiding, discipline en loopbaan af om in één keer op de gewenste plek te belanden. Maar soms blijken er verrassende verklaringen die daar weinig mee te maken hebben. Berucht is inmiddels het ‘Freakonomics’-voorbeeld, waarbij de afname van de criminaliteit in de Verenigde Staten sinds 1992 in verband wordt gebracht met het legaliseren van abortus in 1973 – negentien jaar eerder. Minder ongewenste kinderen, die inmiddels adolescenten zouden zijn geweest.

Maar de vraag of misdaad loont is met al deze inzichten nog steeds niet beantwoord. De gangbare theorie over misdaad (hier geleend van twee economen van het University College in Londen) is dat ‘individuen de verwachte baten en lasten van misdaad afwegen en tot misdaad overgaan als die verwachte baten de lasten overstijgen. Als een individu moet kiezen tussen misdaad en werk, dan zal een cruciale factor de hoogte van het loon zijn dat hij kan verwachten.’

Dat klinkt logisch, maar er is meer. Vruchtbaarder is het verband tussen de crimineel en de gokker. Een gokker prefereert een kleine kans op iets heel groots (het winnen van een prijs) boven een grote kans op iets heel kleins (inkomen door arbeid). Het is juist die ene, grote, sprong die de bezigheid aantrekkelijk maakt: in één keer op de Bahama’s belanden.

De crimineel wordt in dit verband wel gezien als iemand die een heel kleine kans op iets zeer onwenselijks (een forse straf) prefereert boven een grote kans op iets dat eveneens onwenselijk is, maar veel minder erg (werk in het zweet des aanschijns). De vraag of misdaad loont zou, als je deze lijn volgt, niet zozeer afhangen van de zwaarte van de straf. Het gaat hier eerder om de kans. Hoe kleiner de kans op werk, hoe meer de afweging uitvalt in het voordeel van de misdaad. Hoe groter de kans om gepakt te worden, hoe minder aantrekkelijk misdaad is.

Wanneer zou misdaad lonen? Bij een kleine pakkans, uiteraard, en een kleine kans op werk. Maar dan nog, en hier komen de crimineel en de gokker samen, is de beste strategie om te stoppen op het hoogtepunt en het aan niemand te vertellen. Zelfbeheersing dus. Kijk naar de gemiddelde Tarantinofilm en je weet dat juist dit doorgaans een onoverkomelijke opgave is.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.