Iedere periode zijn eigen melodie

Het is een mysterie waar menig componist gemakkelijk een ledemaat voor zou geven: hoe componeer ik een mooie melodie?

Misschien hebben ze iets aan de aanpak van computerwetenschapper Pablo Rodriguez van de universiteit van Buenos Aires en collega’s. Die destilleerden vijf principes waaraan de westerse melodie voldoet uit een muziekdatabase waarin de melodieën van twee eeuwen in druk uitgegeven westerse muziek is opgenomen. Ze publiceerden vandaag online op de website van vakblad PNAS.

Het Peachnote Corpus, heet het bestand waarin de toonsafstanden tussen opeenvolgende tonen zijn opgeslagen van vrijwel alle melodieën in de westerse muziek die tussen 1730 en 1930 zijn gecomponeerd. Je kunt er bijvoorbeeld in opzoeken hoe vaak het in 1787 voorkwam dat een reine kwint (van do naar sol) naar boven gevolgd wordt door een kleine terts (van sol naar mi) naar beneden.

Rodriguez en collega’s gaven hun software de opdracht om in die databank te speuren naar melodische intervallen die typerend zijn voor de stijlperioden in die twee veelbewogen muziek-eeuwen. Het is de tijd van de barokke Bach (1685-1750), via de klassieke Mozart (1756-1791) en de romantische Beethoven (1770-1827) tot de atonale Schönberg (1874-1951). Om een paar grote namen uit de opeenvolgende perioden te noemen.

De software vond typische patronen voor de grote tijdperken in de muziek in die twee eeuwen: barok, klassiek, romantiek en modern. Veel opeenvolgende toonladdernoten zijn karakteristiek voor de barokperiode tot 1750. Maar in de romantiek (1830-1900) was dat not done. Daar wordt dezelfde toon vaak herhaald, of zijn de sprongen groter. Na 1900, in de tijd van Schönberg en Strawinsky, is er een patroon met een grote diversiteit aan intervallen.