Hoe banaal is het kwaad?

Sommige mensen kunnen angstaanjagend goed doen of ze normaal zijn, schrijft Jaap Cohen. Adolf Eichmann kon het. En ook Ariel Castro uit Cleveland, onlangs opgepakt voor het jarenlang vasthouden van drie vrouwen.

EPA

In de film Hannah Arendt – nu in de bioscoop – bezorgt de conciërge van een appartementencomplex in New York een briefje bij de hoofdrolspeelster. Het is van die alleraardigste bovenbuurman, zegt hij erbij. Hannah Arendt opent de envelop en leest het briefje. „Brand in de hel, jij nazihoer”, staat er. De beroemde Duits-Joodse filosofe schrikt er niet eens meer van; in de februaridagen van 1963 ontvangt ze een niet aflatende stroom hatemail.

De commotie is zo groot vanwege Arendts artikelenreeks in The New Yorker over het proces tegen Adolf Eichmann, het nazikopstuk dat door de Israëlische geheime politie in Argentinië was opgepakt en naar Israël ontvoerd. Zestien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog stond hij in Israël terecht voor de moord op zes miljoen Joden; als hoge ambtenaar was Eichmann degene die de logistiek van de deportaties had georganiseerd. In de aanloop naar het proces werd hij afgeschilderd als een monster – een monster dat moest hangen. Daarna zou de Tweede Wereldoorlog pas voorgoed begraven kunnen worden.

Uit tientallen landen kwamen de beste journalisten naar Jeruzalem om het proces van de eeuw te verslaan. Hannah Arendt was als filosofe een vreemde eend in de bijt, en haar artikelen waren dat eveneens. Ze beperkte zich niet tot simpele verslaggeving van het proces, maar probeerde te analyseren waar bij Eichmann het kwaad vandaan kwam, en of het wel rechtvaardig was om hem, zoals de openbaar aanklager probeerde, schuld aan de gehele Holocaust in de schoenen te schuiven.

Angstaanjagend normaal

Haar antwoorden op deze vragen waren op zijn minst opmerkelijk. Zij had tijdens de oorlog vanwege haar Joodse afkomst zelf in een nazikamp had gezeten en had daaruit slechts ternauwernood naar de Verenigde Staten kunnen ontsnappen. Na enkele zittingsdagen keerde ze alweer terug naar New York, want haar mening stond vast: er was sprake van een politiek showproces. De aanklager probeerde van Eichmann – in een glazen kooi gezeten – de Duivel te maken, terwijl Arendt een onbenullige en niet bijster intelligente figuur zag die alleen in clichés kon antwoorden. Iemand die zelf niet nadacht, maar slechts deed wat hem van bovenaf was bevolen. Eichmann was volgens Arendt dus geen sluwe crimineel, maar juist het tegenovergestelde: hij was angstaanjagend normaal, ofwel ‘banaal’.

Met haar theorie van ‘de banaliteit van het kwaad’ riep Arendt enorme woede over zich af: vrijwel de gehele Joodse intelligentsia aan de Amerikaanse oostkust – waartoe ze zelf behoorde – voelde zich verraden. Arendt was in één klap persona non grata geworden. In de film is in een dramatische scène te zien hoe zelfs haar mentor Kurt Blumenfeld zich op zijn sterfbed van haar afkeert. Medestanders waren aanvankelijk slechts op de vingers van één hand te tellen.

Een van die medestanders was een jonge Nederlandse schrijver die eveneens op onconventionele wijze verslag had gedaan van het proces: Harry Mulisch. Steeds meer raakte hij ervan overtuigd dat de dorre ambtenaar Eichmann niets meer was dan een machine die slechts had gehoorzaamd aan het systeem waartoe hij behoorde en waaraan hij trouw had gezworen. „Als in dezelfde jaren niet Adolf Hitler maar Albert Schweizer [Duitse Nobelprijswinnaar voor de Vrede] rijkskanselier was geweest, en Eichmann had bevel gekregen om alle zieke negers naar moderne hospitalen te vervoeren, dan had hij het zonder mankeren uitgevoerd”, aldus Mulisch. Eichmann was volgens hem niet de oorsprong van het Kwaad (dat was Hitler) en hij was ook geen idealistische gelovige als Himmler, want van antisemitisme was bij Eichmann niets te bespeuren. Bovendien had hij niet met eigen handen gemoord. Eichmann was volgens Mulisch niets anders dan „de kleinste mens” – en in die zin kwam zijn mening overeen met de analyse van Hannah Arendt.

Ook Mulisch kritiek op zijn reportages; hij zou zich meer met de beklaagde dan met de slachtoffers hebben vereenzelvigd. Maar hij kreeg ook complimenten, zowel voor zijn persoonlijke en directe stijl als voor het ontbreken van een haatdragende toon. Zijn boek De zaak 40/61 werd een bestseller, en een ijkpunt in zijn nog jonge oeuvre. Na verloop van tijd zou het door hem beschreven beeld van een rechtszaal met aan de ene kant een irritante drammer (de aanklager) en aan de andere kant een hulpeloze ambtenaar die slechts had gedaan wat hem was bevolen (Eichmann) zich in het geheugen van veel Nederlanders vastzetten. Zeker in combinatie met Arendts omvangrijker, maar op veel punten gelijksoortige theorie – die ondanks de heftige controverse uiteindelijk veel aanhangers kreeg – werd zijn karakterisering van Eichmann algemeen beschouwd als een fundamentele waarheid over mens en maatschappij: zelfs de normaalste persoon is in staat tot de meest verschrikkelijke misdaden.

Virulente antisemiet

De kern van de theorie over de banaliteit van het kwaad is nog steeds overtuigend – zij bleek alleen niet van toepassing op de persoon die Arendt en Mulisch op het idee bracht. In een biografie uit 2004 toonde historicus David Cesarani namelijk overtuigend aan dat Eichmann wel degelijk een virulente antisemiet was, en dat hij niet alleen gruwelijke plannen had uitgevoerd, maar ook bedacht. Hij was een believer, net als Himmler was. En hij was een goede acteur, want in zijn proces had hij zich stipt aan de te volgen verdedigingsstrategie gehouden en leugen op leugen gestapeld. Hij had slechts één zwak moment gekend: toen hij had laten doorschemeren dat hij de Joodse familieleden van zijn stiefmoeder in de oorlog had geassisteerd bij hun vlucht naar Zwitserland – een gegeven dat erop duidt dat voor Eichmann blijkbaar niet elk Befehl een Befehl was – en zo liet zien dat hij een geweten had. Arendt en Mulisch hadden er in hun reportages met geen woord over gerept.

Cleveland

Enkele weken geleden werd in Cleveland de buschauffeur Ariel Castro opgepakt vanwege de tien jaar durende opsluiting en verkrachting van drie vrouwen. Zijn buurman Charles Ramsey gaf een kernachtige omschrijving van de dader: „He just comes out to his backyard, plays with his dogs […] and goes back into the house. He’s just somebody you see and you look away, because he ain’t doing nothing but average stuff. There’s nothing exciting about him.” De buurman had jarenlang verkeerd gezeten. Ariel Castro was juist wél een ‘exciting’ figuur, maar dan in negatieve zin. Hij was een fenomenale acteur geweest, die in zijn tuin een façade had gecreëerd om de buitenwereld in zijn onschuld te doen geloven. In werkelijkheid was hij natuurlijk allesbehalve normaal, maar het is nu eenmaal moeilijk voor te stellen dat zelfs de meest maniakale misdadiger gewoon naar de bakker gaat voor een halfje casinowit. Overigens houdt Castro vol dat hij onschuldig is; hij vindt dat de massamedia een ‘monster’ van hem proberen te maken.

Ariel Castro in zijn tuin en Adolf Eichmann in de rechtszaal – ze veinsden ‘banaliteit’, maar in werkelijkheid waren ze zeldzaam gevaarlijke criminelen. En juist vanwege hun speciale acteerkwaliteiten konden ze de buitenwereld zand in de ogen strooien – zowel een ‘normale’ buurman als Charles Ramsey als uitzonderlijke denkers als Harry Mulisch en Hannah Arendt.