Dat willen ontsnappen, dat is er nog steeds

In de rubriek Thuis& elke week een interview over familie en gezin.

Vandaag: zanger Gerard van Maasakkers.

Zanger Gerard van Maasakkers (64) groeide op in Nuenen. Dat hij in sommige liedjes met warmte over zijn ouders en zijn jeugd zingt, betekent niet dat het altijd goed was. „Als het lijkt alsof ik een onbezorgde jeugd had, komt dat meer doordat later alles goed is gekomen.”

Uit wat voor gezin komt u?

„Een Brabants middenstandsgezin. We woonden in Nuenen, mijn ouders hadden een hoveniersbedrijf. Bij ons moest vooral veel gewerkt worden. We voelden wel dat onze ouders van ons hielden, maar dat werd niet gezegd. Een hand met moederdag, en vaderdag, maar geen kussen of zoiets. Geen al te grote hartelijkheden. De kinderen – ik was de oudste van zes – moesten na school meewerken. Bloempotten opruimen, plantjes verspenen. Ik had daar nooit zin in, was een meester in mezelf onzichtbaar maken. Met Allerheiligen dropte mijn vader ons tegen de avond op het kerkhof met kisten vol witte chrysanten. Klanten hadden die besteld voor op de graven van familieleden. Die potten waren zwaar en steenkoud, en wij in het schemerdonker maar naar die graven zoeken. Toen heb ik mijn vader weleens vervloekt.”

Hoe zou u uw vader omschrijven?

„Hij was streng, voor zichzelf en voor zijn kinderen. Mijn ouders hadden voor de oorlog al verkering, pas in 1948 konden ze trouwen, toen was er eindelijk een beetje geld. Hij kocht een lapje grond en begon de kwekerij. Het was hard werken om die van de grond te krijgen. In het liedje Dragen, over het sterven van mijn vader, laat ik tussen de regels door merken dat de verhouding tussen hem en mij niet altijd goed was: ‘Ik kijk naar jouw gezicht en ik denk aan den tijd / da wij mekaar amper verdroegen / Um da gij nie wilde um da ik nie kon, of andersum / Het doet er nou nie meer toe.’ Dat is het verhaal van de oudste zoon, van puberteit, een vader met hoge verwachtingen, een middenstandsgezin in een katholiek dorp.”

En uw moeder?

„Mijn moeder kon haar hartelijkheid moeilijk tonen. Mijn vader kon dat wel toen hij ouder werd, hij is veel zachter geworden. Maar zij heeft het nooit gekund. Op zeker moment vond ze dat ik te oud was om haar ‘mama’ te noemen, en zei dat ik voortaan maar ‘moeder’ moest zeggen. Dat staat in schril contrast met wat ze gedaan heeft toen ik een jaar of 19 was. Het was eind jaren zestig. Op een zaterdag, voor het bedrijf de drukste dag van de week, pakte ze – zeer tegen de zin van mijn vader – de bus naar Nijmegen om naar een bijeenkomst te gaan voor ouders van homoseksuele jongeren. Mijn vader wilde niks weten over de homoseksualiteit van mij en van mijn broer. Volgens hem kwam het doordat mijn moeder ons te veel verwend had. ‘Ge het ’t ze ook veul te hendig gemaakt’, zei hij.”

Wat wilde u als kind worden?

„De droom van mijn ouders was dat ik priester zou worden. Ik ging naar het kleinseminarie van de Scheutisten in Vught. Het leek mij wel wat, missionaris in zo’n pij en op sandalen. Maar het werd niks. Ontsnappen aan wat moest, was intussen een levenshouding voor mij geworden. Na een jaar was ik weer thuis en toen kwam de tweede droom van mijn ouders in zicht: dat ik de zaak zou overnemen. Ik heb de Middelbare Tuinbouwschool en de Hogere Bosbouw en Cultuurtechnische school gevolgd. Maar eigenlijk wilde ik zingen. Gelukkig was intussen duidelijk dat mijn broer Peer de zaak zou overnemen en voelde ik me verlost.

„Muziek was belangrijk thuis, mijn vader zat in de fanfare, hij speelde prachtig bugel. Maar je beroep ervan maken... ‘Ja maar jongen, da kan toch niet blijven duren’ – die zin heb ik heel vaak gehoord. Er zat teleurstelling in, maar ook bezorgdheid. Van anderen heb ik moeten horen hoe trots ze over mij vertelden, en toen ze overleden waren vond ik stapels krantenknipsels. Ze hadden werkelijk alles wat over mij in de krant had gestaan, uitgeknipt.”

Wat is de les die u van uw ouders hebt meegekregen?

„Plichtsbesef. Wonderlijk genoeg leg ik de lat zeker zo hoog als mijn vader altijd deed. Maar dat willen ontsnappen is er ook nog altijd. Ik moet nu bijvoorbeeld gaan schrijven aan een nieuw theaterprogramma, maar ik ben nog steeds aan het opstarten. Eerst nog koffie en eerst nog de krant en eerst nog... Erg vermoeiend moet ik zeggen.”

Wanneer was de laatste familiebijeenkomst?

„Toen mijn moeder drie jaar geleden stierf spraken wij kinderen af om elk jaar een familiedag te houden. Ook daarbuiten komen we geregeld bij elkaar. We zijn voor ons gevoel nog steeds met zijn zessen, terwijl er nog maar vier over zijn. Twee jaar geleden overleed Peer plotseling. En Marijke is verongelukt in 1957, ze was bijna drie toen ze onder een vrachtwagen kwam. Ik was acht, het was de avond voor Kerstmis. Mijn vader heeft het zien gebeuren. Het is een groot, onuitsprekelijk verdriet geweest. Boven in de linnenkast lag een fotootje van Marijke, wat zogenaamd niemand wist. Als moeder naar de stad was en vader ergens aan het werk, ging ik stiekem naar dat fotootje kijken, want het was het enige tastbare dat over was. Pas veel later hoorde ik dat mijn broers en zus dat ook deden. As ge nie, het liedje over Marijke waarin ik fantaseer over hoe ze zou zijn geweest als vijftigjarige, kon ik pas schrijven toen mijn vader gestorven was.”

Welke rol spelen uw ouders nu nog in uw leven?

„Wij spraken thuis Brabants, dat is mijn moedertaal. Nederlands heb ik pas op school geleerd. Voor de grap zong ik een keer in het Nuenens dialect – normaal zong ik in het Nederlands en het Engels – en het voelde als thuiskomen. En als je zingt in de taal van thuis, is het bijna logisch dat je ook de onderwerpen dicht bij huis zoekt. Maar ik zing over wat me raakt, ook in de liedjes over vroeger. Die zijn nooit bedoeld om te laten zien hoe leuk-nostalgisch het allemaal was, wat mensen nogal eens denken. Als het door mijn muziek lijkt of ik een onbezorgde jeugd heb gehad, komt dat meer doordat later alles goed is gekomen. Zo heeft mijn vader mijn homoseksualiteit uiteindelijk geaccepteerd. Hij en mijn moeder waren getuigen toen ik trouwde met Wim.”

Hoe vult u uw partner aan?

„Wim en ik zijn na vijfentwintig jaar uit elkaar gegaan. Mijn nieuwe vriend en ik zijn ruim een half jaar samen. Hij heeft drie kinderen en dat is een enorm extra geschenk van deze nieuwe relatie. Ik voel me ongelofelijk rijk. En ook nog eens dat het déze kinderen zijn. Hartelijk, intelligent, geïnteresseerd. En muzikaal! Komt er eentje binnen, pakt een instrument van de muur, speelt een stukje. Ik heb weleens gehad dat ik volschoot en even naar de keuken moest.”