Amsterdamse schoffies

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt en bezighoudt.

Illustratie Eliane Gerrits

Het is nog geen jaar geleden, de rondleiding die we kregen op de nieuwe school van de kinderen. Een beetje onwennig gingen we naar binnen: vader, moeder en hun puberkuikens. Dit zou het dus worden, de plek waar ze hun middelbare schooljaren vanaf nu gingen doorbrengen. De directeur van de Princeton High School, een openbare school met zo’n duizend kinderen tussen de 14 en 18, leidde ons persoonlijk rond door het nepgotische gebouw vol gangen en erkers.

Mr. Snyder, een man van gezag, gekleed in een donker pak, ging ons voor met ferme tred. Tegemoetlopende kinderen op de gang groetten hem beleefd: „Good morning, Mister Snyder.” Hij op zijn beurt sprak ze allemaal aan bij de voornaam. „How are you, today, Nicole, Winston, Nicholas?” Terwijl de lessen in volle gang waren, tuurden mijn kinderen nieuwsgierig door de ramen van de klaslokalen naar binnen. Vervolgens keken ze elkaar veelbetekenend aan. Ze vonden het verdacht rustig. Een suffe boel.

„Wat is er met deze kinderen aan de hand?”, vroeg mijn oudste zoon. Hij vond zijn nieuwe klasgenoten maar wereldvreemd. Ze zouden in de Amsterdamse binnenstad geen dag overleven.

Noemen ze u echt Mister?”, vroeg mijn jongste, tot drie keer toe. Op hun school in de binnenstad van Amsterdam, noemde iedereen de leraren bij hun voornaam. Dat begon al op de basisschool, waar ze vanaf hun vierde jaar de directeur gewoon Siebe mochten noemen.

Het was een wereld van verschil. Aan de achterkant van hun Amsterdamse middelbare school stonden altijd kinderen te roken en te blowen. Mijn oudste had zijn eerste aanvaring met alcohol al achter de rug op een feestje waar stiekem drank was ingeslagen. Er werd die avond vooral veel gespuugd en de avond eindigde met paniek toen een vriendje op straat in elkaar zakte en er een ambulance moest komen.

Het Leidseplein om de hoek had allerlei verlokkingen te bieden voor de vele tussenuren. De koffieshops wenkten voortdurend. Na kattenkwaad in een uit de hand gelopen vrij uurtje moest zelfs de politie erbij komen. Tot hun grote trots haalden ze die avond het AT5-journaal met beelden van de bomen op het Amstelveld, behangen met wc-rollen. Nee, saai was hun leven in Amsterdam bepaald niet.

Nu, nog geen jaar later, vinden de Amsterdamse schoffies het normaal om de deur open te houden voor de meester en de juf, die ze consequent netjes adresseren, want je hebt respect voor je docenten. Ze blijven de hele dag op school. Tussenuren zijn er niet, want bij ziekte is er altijd vervanging. Roken is iets voor aan lager wal geraakte asocialen, of die ene verdwaalde Fransman. Drank, drugs en kinderen zijn een slechte combinatie. Zaken voor de politie waar je niet mee spot. Uitgaan op vrijdagavond doe je bij de Small World Coffeeshop, waar ze natuurlijk alleen echte koffie verkopen.

En ik, als moeder? „Noem me maar Pia”, zei ik hier tegen het eerste het beste vriendje, dat zich keurig aan me voorstelde. In Nederland noemde immers iedereen me bij mijn voornaam. Schichtig keek hij weg. Wilde ik soms doen of ik een vriendin van hem was? Ik was toch de moeder. Nee, geen oudere-jongerengedoe, Mrs. de Jong. Duidelijkheid moet er zijn.

Is dit brave bestaan nu beter dan het vrijgevochten Amsterdamse leventje? Voor mijn tieners weet ik het niet, maar voor deze moeder is het een opluchting dat de verlokkingen van het Leidseplein even zesduizend kilometer verderop liggen.