Als iedereen tegelijk mee wil helpen

Burgers willen graag meehelpen zoeken naar vermisten. Bijvoorbeeld naar de broers in Zeist, en recenter in Spanje. Maar soms lopen ze in de weg.

DOORN - Een ploeg van vrijwilligers doorzoekt de Kaapse Bossen bij Doorn, in de hoop een spoor te vinden van de vermiste broertjes Julian en Ruben uit Zeist. ANP JEROEN JUMELET ANP JEROEN JUMELET

Het moet de nachtmerrie zijn van elke reddingshond: speuren naar een vermiste in een bos waarin net tientallen vrijwilligers op eigen houtje hebben gezocht. Hun lichaamsgeuren zijn voor het dier zelfs na jaren van training niet meer te onderscheiden van het spoor van de vermiste, van wie misschien het leven wel op het spel staat.

Helpen zoeken naar vermisten gebeurde deze maand massaal bij de zoektocht naar de broers Ruben en Julian uit Zeist. Ook probeerden tientallen Nederlanders in Spanje te helpen bij het vinden van Ingrid Visser en Lodewijk Severein. Ze werden uiteindelijk dood gevonden. De initiatiefnemers van de burgerzoektocht naar de broers willen nu een landelijk netwerk opzetten van particuliere zoekteams.

De laatste jaren liepen mensen vaak mee in stille tochten. Tegenwoordig lijken burgers minder passief te willen blijven. Ze willen bijdragen. „Het is als Alice in Wonderland”, zegt massapsycholoog Jaap van Ginneken. „Mensen willen door de spiegel ergers naartoe stappen. Het is het willen bezweren van het noodloot door zelf iets te doen. Als je er positief naar kijkt is dat uit medeleven, cynisch kun je het ook zelfbegoocheling noemen.”

Irma Schijf, teamleider van het Landelijk Bureau Vermiste Personen (LBVP), prijst de burgerinitiatieven. „Het is mooi dat we zo’n cultuur hebben van elkaar helpen.” Maar de hulp heeft ook een keerzijde. Er moet toestemming zijn van de beheerder en van de politie om een gebied te doorzoeken. „Mensen gingen met hun kinderen naar de broers zoeken. Niet heel doordacht. Je kind kan een dode aantreffen van wie lichaamsdelen kunnen zijn verspreid.”

De net ingerichte nationale politie heeft een nieuw protocol voor vermissingen, met in elk van de tien regio’s een specialist vermiste personen. Nederland telt jaarlijks zo’n 20.000 meldingen van vermissingen door naasten en 18.000 uit zorginstellingen. Het overgrote deel is terecht binnen één of twee dagen – levend of dood.

Een vermissingsonderzoek begint bij de melding. De officier van dienst bepaalt de ernst: urgent of overig. Schijf: „Soms is het in een minuut helder: getuigen zagen hoe iemand in een auto werd getrokken. Maar dat komt zelden voor. Vaker is de reden partnerruzie, depressiviteit, dementie, geldproblemen, misbruik, een vechtpartij of iemand die even stoom wilde afblazen.”

De inschatting vergt precisie op korte termijn. Schijf: „Burgers zien sneller urgentie dan politie. Soms wilde iemand een weekend weg van huis zijn problemen op een rijtje zetten. Maar we nemen elke melding serieus. Maken wij de verkeerde inschatting, dan zijn de gevolgen in de media en publieke opinie enorm.”

Mocht de vermissing urgent worden bevonden, dan volgt melding bij het LBVP, en krijgt de familie een vaste rechercheur toegewezen die de familie continu op de hoogte houdt. Op die manier kan begrip worden gekweekt waarom beslissingen worden genomen, bijvoorbeeld om een onderzoek af te schalen. „Dat is soms moeilijk, maar het is nog frustrerender als je niet op de hoogte wordt gehouden”, zegt Schijf.

De klok tikt, maar de Wet bescherming persoonsgegevens werkt niet altijd mee. De politie kan gegevens over het gebruik van mobiele telefoon en pinpas slechts van naasten krijgen. Ook mogen naam en foto van de vermiste niet zomaar naar (sociale) media, zodat burgers kunnen helpen met zoeken.

Dat laatste gebeurde deze maand massaal in de bossen rond Doorn. Een gevolg van de „veremotionering” van de samenleving, zegt massapsycholoog Jaap van Ginneken. „Mensen worden steeds meer gevoed via de media. Televisie is steeds indringender en internet maakt onmiddellijkheid tot een factor.”

John van Norden staat welwillend tegenover burgerinitiatieven. Hij is vicevoorzitter van Stichting Reddingshonden RHWW, de grootste van een tiental vrijwillige reddingshondenorganisaties. „Wij juichen elke vorm van hulp toe, maar willen ook terughoudend zijn. Voor een politiehond is een geurspoor na 24 uur al moeilijk te volgen, onze honden kunnen na zes weken ook nog de geur van een lichaam oppikken. Maar als er allemaal mensen in het gebied zijn geweest, raken de honden verward.”

De honden komen zo’n 25 keer per jaar in actie en stonden ook paraat bij de zoektocht naar de broers. „Het burgerinitiatief meldde zich nog vóór de politie bij ons, met de vraag of wij konden helpen. Het is dan heel lastig om nee te moeten zeggen”, zegt Van Norden. Bestuursleden kregen tot in de supermarkt het verwijt dat ze hun nek niet durfden uit te steken. „Jammer”, zegt Van Norden, „maar wij hebben heel nauw contact met de politie en doen niets zonder hun toestemming.”