Spellingfo soms niet uten zoms wel ok,

Illustratie Ank Swinkels

Onlangs deed ik het eindexamen Nederlands voor de havo. Je moest twee teksten lezen en naar aanleiding daarvan meerkeuzevragen beantwoorden. Daarnaast moest je een tekst samenvatten in 200 woorden en vijf open vragen kort beantwoorden.

Heel merkwaardig is dat scholieren in de open vragen naar hartenlust spel- en grammaticafouten mogen maken. Rekenen en taal zijn uitgeroepen tot de hoekstenen van ons onderwijs, maar in het correctievoorschrift van het College voor Examens staat (ook voor vmbo en vwo): „Bij de beoordeling van antwoorden op open vragen worden, gelet op de aard van de opgaven, geen punten afgetrokken voor spelfouten. Voor idiomatische en grammaticale oneffenheden geldt hetzelfde, tenzij het antwoord er minder juist of zelfs fout door wordt.”

Mag je in de vijf open vragen, samen goed voor 140 woorden aan antwoorden, dus vrijelijk spel- en grammaticafouten maken, in de samenvatting van 200 woorden mag dat niet – vraag me niet waarom. Ook voor interpunctiefouten worden punten afgetrokken. Ik vond dat saillant, want de examenteksten havo bevatten zelf ook interpunctiefouten. Althans, ik neem aan dat het gebruik van puntkomma’s in een opsomming tot de interpunctie behoort. In de examenteksten stonden die er soms wel en soms niet. Ook het gebruik van aanhalingstekens was inconsequent: er werden drie systemen door elkaar gebruikt.

Maar goed, dit is klein bier. Marc van Oostendorp heeft in deze krant al opgemerkt dat bij het vwo-examen Nederlands bij de meerkeuzevragen geregeld meerdere antwoorden goed waren. En Klaas Heemskerk schreef dat je als leerling vooral examenvaardigheid wordt bijgebracht („antwoord wat ze willen horen!”), in plaats van tekstvaardigheid.

Ook ik vond dat er soms meerdere antwoorden goed waren – zeker als je er wat dieper over nadacht, wat kennelijk niet de bedoeling was. Bovendien ben ik hogelijk verbaasd over de manier waarop begrijpend lezen wordt getoetst.

Het lijkt mij erg nuttig dat je op school leert hoe je een tekst analyseert. Ons hele leven hebben we met teksten te maken – bijvoorbeeld teksten die ons ergens van proberen te overtuigen. Dan is het handig als je kunt doorzien of de gebruikte argumenten logisch en valide zijn of dat er bijvoorbeeld drogredeneringen worden gebruikt.

Maar de begrippen die scholieren uit hun hoofd moeten leren om teksten mee te analyseren, vond ik verwarrend en lang niet allemaal relevant. Zo moet je kunnen onderscheiden of een publicist gebruikmaakt van: een actuele, technische, maatschappelijke, kritische of persoonlijke benadering. En of een tekst geschreven is om: te amuseren, te informeren, te opiniëren, te overtuigen of te activeren. Wat meerkeuzevragen opleverde als: is dit citaat A. activerend, B. beschouwend; C. betogend; D. uiteenzettend.

Binnen twee minuten begon het mij al te duizelen. Als je opinieert, wil je dan ook overtuigen? Is een maatschappelijke benadering niet per definitie kritisch en hoogstwaarschijnlijk actueel? Kan een opiniestuk tegelijk amuseren, informeren en betogen? Maar bovenal: waarom zou je in hemelsnaam teksten op deze fijnmazige manier leren fileren? Met welk doel?

Ik belde het College voor Examens met de vraag wat het theoretisch kader is achter deze manier van tekstanalyse. Dat blijkt er niet te zijn. De vragen worden bij het Cito gemaakt door een kleine ‘constructiegroep’: één neerlandicus van het Cito met drie ervaren docenten Nederlands uit het onderwijs. De richtlijnen komen van het ministerie. Dat dus kennelijk ook bepaalt dat spel- en grammaticafouten soms wel en soms niet bij eindexamens meetellen.

Taalhistoricus en journalist Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.