De burger helpt graag, maar zoeken is een vak

Verslaggever

Het moet de nachtmerrie zijn van elke reddingshond: speuren naar een vermiste in een bos waarin net tientallen vrijwilligers op eigen houtje hebben gezocht. Hun lichaamsgeuren zijn voor het dier niet meer te onderscheiden van het spoor van de vermiste, van wie misschien het leven wel op het spel staat.

Helpen zoeken naar vermisten gebeurde deze maand massaal bij de verdwijning van de broers Ruben en Julian uit Zeist. Ook proberen tientallen Nederlanders dezer dagen in Spanje te helpen bij het vinden van Ingrid Visser en Lodewijk Severein. De initiatiefnemers van de burgerzoektocht naar de broers willen nu een landelijk netwerk opzetten van particuliere zoekteams.

Irma Schijf van het Landelijk Bureau Vermiste Personen (LBVP) prijst de initiatieven, maar ziet ook een keerzijde. „Mensen gingen met hun kinderen naar de broers zoeken. Niet heel doordacht. Je kind kan een dode aantreffen van wie lichaamsdelen door bijvoorbeeld zwijnen zijn verspreid.”

Zoeken naar vermisten is een vak, dat ook nog eens onderontwikkeld is, zegt Schijf. „Geen enkel Europees land weet hoe ze vermissingen op een goede manier moeten aanpakken. Vermissingen zijn in de opleiding onderbelicht. De politie leidt op voor onderzoek vanaf een plaats delict: een stoffelijk, sporen, afzetlinten. Maar een vermissing heeft geen plaats delict.” Nederland telt jaarlijks zo’n 20.000 meldingen van vermissingen door naasten en 18.000 uit zorginstellingen. 70 procent is terecht binnen 24 uur – levend of dood – en nog eens 10 procent in het etmaal daarna.

Een vermissing begint bij de melding van naasten. De officier van dienst bepaalt de ernst: urgent of overig. Schijf: „Soms is het in een minuut helder: getuigen zagen hoe iemand in een auto werd getrokken. Maar zo stereotiep komt het zelden voor. Vaker is de reden partnerruzie, depressiviteit, dementie, geldproblemen, een vechtpartij of wilde iemand even stoom afblazen.”

De inschatting vergt precisie op korte termijn. Schijf: „Burgers zien sneller urgentie dan politie. Soms wilde iemand een weekend weg van huis zijn problemen op een rijtje zetten, of heeft een kind in een bos een fantastische speelmiddag gehad.” Mocht de vermissing urgent zijn, dan krijgt de familie een vaste rechercheur toegewezen.

De klok tikt, maar de wet bescherming persoonsgegevens werkt niet altijd mee. De politie kan gegevens over het gebruik van mobiele telefoon en pinpas alleen van naasten krijgen. Ook mogen naam en foto van de vermiste niet zomaar naar (sociale) media, zodat burgers kunnen helpen met zoeken.

Dat laatste gebeurde deze maand massaal in de bossen rond Doorn. Een gevolg van de „veremotionering” van de samenleving, zegt massapsycholoog Jaap van Ginneken. „Mensen worden steeds meer gevoed door de informatie van media. Televisie is steeds indringender en internet maakt onmiddellijkheid tot een factor.”

Waar de laatste jaren velen gehoor gaven aan oproepen tot stille tochten, wilden burgers recent bijdragen. Van Ginneken: „Het is Alice in Wonderland: mensen willen door de spiegel ergens naartoe stappen. Het is het willen bezweren van het noodlot door zelf iets te doen. Als je er positief naar kijkt is dat uit medeleven over het vreselijks, cynisch kun je het ook zelfbegoocheling noemen.”

John van Norden staat welwillend tegenover burgerinitiatieven. Hij is vicevoorzitter van Stichting Reddingshonden RHWW, de grootste van een tiental vrijwillige reddingshondenorganisaties. „Wij juichen elke hulp toe, maar willen ook terughoudend zijn. Voor een politiehond is een geurspoor na 24 uur al moeilijk te volgen. Als allemaal mensen in het gebied zijn geweest, raken de honden verward.” De honden van de stichting stonden ook paraat bij de zoektocht naar de broers.

Intussen heeft de stichting ook contact gehad met de politie over de zoektocht in Spanje. Mocht het nodig zijn, dan vertrekken enkele honden naar Murcia. „Maar nu hebben we geen specifiek gebied om in te zoeken”, zegt Van Norden. Schijf: „Die zaak barst van de zorgelijke aanwijzingen, waar ik inhoudelijk niets over kan zeggen.”