brieven

Laten we de helpenden in de zorg niet vergeten

In het artikel van Esther Wittenberg (‘In Hongarije was ik een machine, hier ben ik een mens’, NRC Handelsblad 18 mei) gaat het wederom over de dreigende tekorten aan verzorgenden en verpleegkundigen.

Verzorgenden worden actief in het buitenland geworven. Maar: de assistenten van de verzorgenden – ‘helpenden’ – worden systematisch wegbezuinigd. Een hele groep jonge meiden die graag in de zorg wil werken, komt niet of nauwelijks aan de bak.

Zij moeten het doen met flex- en nulurencontracten. Blij zijn ze al met een contract van 12 uur per week, 20 of 24 uur is het maximum. Een vaste aanstelling na drie jaarcontracten? Een hele grote uitzondering. Velen denken er dan ook over de zorg te verlaten. Assistenten van de verzorgenden helpen de ouderen met de persoonlijke verzorging zoals wassen, aankleden, naar de wc gaan en eten.

Kortom, essentiële en bewerkelijke taken die verzorgenden veel tijd besparen. Verzorgenden krijgen er dus meer werk bij. Het idee dat mantelzorgers de persoonlijke verzorging van ouderen op zich zullen nemen is utopisch.

Het lijkt wel of de zorg zijn eigen tekort schept dan wel onnodig groot maakt. Maak gebruik van de krachten die je hebt en het potentieel dat er is.

Het voelt heel raar dat iedereen roept „er zijn/komen grote tekorten in de zorg”, terwijl wij om ons heen zien dat jonge meiden die helpenden zijn op mbo 2 niveau niet of nauwelijks meer aan de bak komen in de zorg. Juist zij doen werk dat voor ouderen het belangrijkste is.

Ik hoop van harte dat de discussies over bezuinigingen in de zorg een andere wending krijgen voor zowel de ouderen als de helpenden.

Marian van Eeghen

Moeder van een helpende

Moslims en invloedssfeer

Schrijft de islam terrorisme voor? is misschien niet de meest passende vraag na Londen, Boston en die duizenden andere aanvallen sinds 2001. Wellicht juister, maar ook moeilijker, is deze: kan iemand, opgegroeid in een islamitische invloedssfeer, gemakkelijk overtuigd raken dat God hem tot terreur oproept, ongeacht de theologische (on)juistheid van zo’n overtuiging? Voor een antwoord op de zo gestelde vraag moet men zich een beeld vormen van die invloedssfeer; van wat de moslim van jongs af aan voelt, hoort, ziet en leest. Dat soort onderzoek mijden de West-Europese respecteerders van de islam als de gloeiende pest.

Piet-Hein Nelissen

Middelburg