Arjen Robben heeft geen pokerface

De vuisten werden wit. Direct na zijn doelpunt in de finale van de Champions League kneep Arjen Robben het bloed uit zijn vingers. Hij schreeuwde en balde zijn vuisten, uit woede en frustratie. Het pure genot liet nog even op zich wachten.

Aard van het beestje.

Robben had een verbeten trek rond de mond. Zijn gezicht vertelt altijd een verhaal. Robben heeft geen pokerface. Je ziet wat hij vindt. Althans, hij geeft ons kijkers de kans om een verklaring bij zijn gezicht te geven.

De gemiste kans tegen Spanje in de finale van het WK voetbal is een goed voorbeeld. Robben liep geraffineerd bij de verdedigers weg, hield op snelheid de bal bij zich en tikte de bal langs keeper Iker Casillas. Het werd geen doelpunt omdat de reflex van de doelman goed was.

Wat kon Robben eraan doen?

Het gezicht van Robben kwam in beeld. Hij verwerkte het moment direct. Wat dacht hij: had ik de keeper maar omspeeld? Finale verloren?

Het moment van reflectie was te lang. Alle voetbalfans kregen de kans om van Robben de loser te maken. Die kale twijfelaar was de klootzak die onze sportzomer verziekte.

Afgelopen zaterdag zei mevrouw Robben in de Volkskrant over haar man: „Als hij chagrijnig is, tekent dat zijn hele gezicht. [...] Het is weleens moeilijk om kritiek op hem te horen. Maar vaak denk ik: verdiep je eens in de mens.”

Ik doe mijn best, mevrouw Robben.

Zou het kunnen zijn dat we te veel willen aflezen van zijn gezicht? Dat we in dat smalle gelaat het vaak zeurende jongetje denken te zien, de egoïst die met zijn wijsvinger op zijn borst tikt en ikke-ikke-ikke roept?

Misschien heeft mevrouw Robben gelijk en is er meer. Robben, de grapjas in de kroeg. Robben, de verleider in bed. Robben, de huisman die regelmatig de ragborstel door zijn eigen plee haalt. Ik weet het niet, ik ben er niet bij. Ik moet het doen met de beelden op en rond het veld; die maken wat ik van Robben vind.

Weergaloos was hij in het ontwijken van de slidings vlak voor hij scoorde tegen Dortmund. Robben is een meester in het vooruitzien; hij wist hoe de verdedigers hem gingen afstoppen en danste losjes om de uitgestoken voeten heen. Het achteloze tikje tegen de bal – zijn belangrijkste doelpunt ooit – was een formaliteit.

Na het eindsignaal ging Robben op zijn knieën, met het hoofd op het veld. Mevrouw Robben, wat was dat nou weer? Vloekte hij tegen critici in de ondergrondse hel? Of had hij trek om zijn neus in het gras van Wembley te stoppen om zo terug te denken aan dauw op een Gronings knollenveld?

Daarna zocht hij zijn medespelers op. Robben ontroerde, als aanvoerder van het plezier.

Robben kraaide van genot en genoegdoening. Heb ik dat goed gezien, mevrouw Robben?

In de catacomben ontmoette Robben zijn oud-collega Mark van Bommel. De twee voetballers omhelsden elkaar. Het leek op een ontmoeting tijdens een reünie van soldaten. Mannen met een veelbewogen leven in de loopgraven van het voetbalveld.

Je zag soldaat Van Bommel trots kijken. Ja, daar stond die rare snuiter. Soldaat Robben had de oorlog overleefd.

Niet langer ‘de loser’: pagina 21-23