Vrouwenquotum brengt voor bedrijven geen winst Quota zorgen tot nu toe niet voor meer vrouwen aan de top

Het is nooit bewezen dat meer vrouwen in de raad van commissarissen bedrijven financiële voordelen opleveren, stelt Christina Hoff Sommers. Een vrouwenquotum doet dan meer kwaad van goed.

Foto Press Association, Dave Thompson

Zakenbank Morgan Stanley heeft onlangs een beleggingsfonds gelanceerd, dat het behalen van hoge rendementen en het tegengaan van geslachtsdiscriminatie moet combineren. Deze ‘gelijkheidsportefeuille’, waarvoor een minimale inleg van 250.000 dollar is vereist, beperkt zich tot bedrijven met drie of meer vrouwen in hun raden van commissarissen.

Volgens de reclame die voor het fonds wordt gemaakt, „blijkt uit onderzoek dat bedrijven met een aanzienlijke vertegenwoordiging van vrouwen in hun raden van commissarissen en het hogere management betere financiële resultaten (rendementen voor de aandeelhouders, rendementen op de bezittingen, rendementen op het aandelenkapitaal en winstmarges) kunnen overleggen dan bedrijven die minder vrouwen in hun bestuur hebben opgenomen.” Is deze ‘gelijkheidsportefeuille’ een welkome vernieuwing? Niet helemaal. Hoewel het prima is dat Morgan Stanley een fonds in het leven roept dat sociaal-bewuste klanten aanspreekt, is het misleidend om dat aan de man te brengen met een beroep op de beleggingsprestaties.

Vrouwengroepen klagen al lang over de schaarste aan vrouwen in de topregionen van het Amerikaanse bedrijfsleven. Bij het bepleiten van hun zaak hebben zij doorgaans gewezen op de onrechtvaardigheid van discriminatie, glazen plafonds en old boys networks. Maar vandaag de dag krijgen ze bijval van zakelijke en financiële groeperingen die de nadruk leggen op de winst. Het Committee for Economic Development (CED, Comité voor Economische Ontwikkeling), een toonaangevende lobbygroepering in het Amerikaanse bedrijfsleven, heeft in 2012 een verklaring uitgegeven, waarin wordt gewaarschuwd dat de Verenigde Staten ernstig achterop raken bij Europa in percentages vrouwen in ondernemingsbesturen: „De vertegenwoordiging van vrouwen is een kwestie van concurrentiekracht.”

In werkelijkheid tellen de bedrijven van de Amerikaanse Fortune 500-lijst (een ranglijst die het tijdschrift Fortune jaarlijks maakt van de 500 grootste Amerikaanse bedrijven, op basis van hun jaaromzet, red.) iets meer vrouwelijke commissarissen dan de grootste Europese ondernemingen (16 tegen 13 procent), hoewel Europa op het punt staat de VS in te halen. De regeringen van Frankrijk, Italië, Spanje, België, Nederland en IJsland hebben quota of streefcijfers ingevoerd, op grond waarvan raden van commissarissen voor 30 tot 40 procent uit vrouwen moeten bestaan. Viviane Reding, eurocommissaris voor Justitie en Burgerrechten, presenteert deze initiatieven als bedrijfseconomisch gefundeerd: „Bedrijven beginnen eindelijk in te zien dat als zij concurrerend willen blijven in een vergrijzende samenleving, zij het zich niet kunnen veroorloven vrouwelijk talent te negeren.”

De bedrijfseconomische argumenten voor dit soort quota zijn echter zwakker dan hun pleitbezorgers lijken te beseffen. Morgan Stanley en het CED verwijzen naar onderzoeken van Catalyst, een groepering die voor vrouwenrechten opkomt, en McKinsey, een consultancyfirma. Daaruit zou blijken dat bedrijven groot financieel voordeel ontlenen aan de aanwezigheid van vrouwelijke commissarissen. Een onderzoek uit 2007 van Catalyst stelt dat „de bedrijven met de hoogste percentages vrouwen in de raad van commissarissen het 53 procent beter hebben gedaan dan de bedrijven met de minste vrouwen.” Maar in geen van beide onderzoeken wordt bewezen dat er sprake is van een oorzakelijk verband; sterker nog, de aanwezigheid van een groter aantal vrouwelijke commissarissen zou wel eens kunnen voortvloeien uit het succes van bepaalde bedrijven. Ambitieuze startende ondernemingen moeten hun raden van commissarissen vullen met zakenpartners en mensen die financiële steun hebben verleend (doorgaans voor het merendeel mannen), terwijl rijke, gevestigde firma’s meer manoeuvreerruimte hebben en daardoor wellicht meer belangstelling tonen voor zaken als een evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.

Uit sommige onderzoeken komt bovendien een negatief verband naar voren tussen de aanwezigheid van vrouwelijke commissarissen en de prestaties van firma’s. In een verhandeling die in 2008 is verschenen in het Journal of Financial Economics komen de economen Renee Adams en Daniel Ferreira tot de conclusie dat vrouwelijke commissarissen vaker aanwezig zijn op vergaderingen en zich actiever betonen in het uitoefenen van toezicht op hun firma’s, maar dat het „gemiddelde effect van een gelijkwaardige vertegenwoordiging van vrouwen op de prestaties van firma’s negatief is. Onze onderzoeksresultaten duiden erop dat verplichte quota voor het aantal vrouwelijke commissarissen de waarde van goed bestuurde firma’s omlaag kunnen drukken.” Deborah Rhode en Amanda Packel, beiden verbonden aan het Center on the Legal Profession (Centrum voor de Juridische Beroepen) van de Universiteit van Stanford, zijn voorstanders van het binnenhalen van meer vrouwen in raden van commissarissen, maar maken bezwaar tegen de overdrijvingen waar tal van onderzoeken zich aan bezondigen. In hun uitputtende overzicht van de relevante literatuur uit 2010 concluderen zij: „De relatie tussen een gelijkwaardige vertegenwoordiging van vrouwen en de financiële prestaties is niet overtuigend vastgesteld.” En in 2012 komen de hoogleraren bedrijfskunde Charles O'Reilly (Stanford) en Brian Main (Universiteit van Edinburgh) tot de slotsom: „Wij kunnen geen bewijzen vinden voor de stelling dat het benoemen van vrouwen in raden van commissarissen de bedrijfsprestaties verbetert. Er zijn wel aanwijzingen dat mannelijke CEO’s met hogere salarissen eerder geneigd zijn vrouwen aan te stellen en dat raden van commissarissen met een hoger percentage vrouwen toeschietelijker zijn in de beloning van de CEO.”

De rijkste bron aan empirische ervaring wordt aangetroffen in Noorwegen, dat al in 2003 verplicht heeft gesteld dat alle beursgenoteerde bedrijven onmiddellijk moesten beschikken over 40 procent vrouwelijke commissarissen, op straffe van liquidatie. Dat werkte. De vertegenwoordiging van vrouwen in Noorse raden van commissarissen is gestegen van 9 procent in 2003 naar 40 procent vandaag de dag. Maar uit een onderzoek uit 2011 van de Universiteit van Michigan bleek dat Noorse firma’s een waardedaling hebben ondergaan. „De quota hebben geleid tot jongere en minder ervaren raden van commissarissen… en tot een achteruitgang van de operationele prestaties.”

Tot nu toe heeft het programma weinig bijgedragen aan een verhoging van het aantal Noorse vrouwen in het topmanagement. Wel zijn er ongeveer zeventig gewilde vrouwen, die samen inmiddels ruim driehonderd plekken in raden van commissarissen innemen, er veel beter van geworden. Critici noemen hen spottend de ‘Golden Skirts’ (Gouden Rokken) of de ‘Old Girls Club’.

De campagne om meer vrouwen te laten toetreden tot de raden van commissarissen van bedrijven is goedbedoeld. Evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in het toezicht op bedrijven is een belangrijk streven. Maar zakelijk en financieel leiders moeten objectief en op de economische werkelijkheid gefocust zijn. Als zij van het rechte pad afraken en zich beroepen op willekeurige onderzoekjes en op quota gebaseerde maatstaven, zaaien ze verwarring en vragen ze om problemen.

Morgan Stanley is afhankelijk van het vertrouwen van beleggers dat het een verstandig geleide firma met hoge rendementen is. Maar het bedrijf voldoet zelf niet aan de eigen criterium voor beleggingswaardigheid, want de veertienkoppige raad van commissarissen kent maar twee vrouwen.

Christina Hoff Sommers is een Amerikaanse auteur, een Democraat, verbonden aan de denktank American Enterprise Institute in Washington. Ze schreef ondermeer The War Against Boys: How Misguided Feminism Is Harming Our Young Men (2000) en Who Stole Feminism?: How Women Have Betrayed Women (1994). © 2013 The Atlantic Monthly.