Verdreven heksen

Geschiedenis

De ontdekking van de bloedsomloop was een flinke klap voor het geloof in hekserij. Want als het menselijk lichaam een gesloten systeem is, kunnen vijandelijke geesten er niet gemakkelijk in doordringen.

Gravure uit 1876 van William Crafts. In een golf van massahysterie werden tussen februari 1692 en mei 1693 tijdens de zogeheten Salem witch trials in Massachusetts honderden mensen beschuldigd van hekserij. Twintig van hen werden ter dood gebracht.

De heksenvervolgingen behoren tot de beschamendste episodes uit de Europese geschiedenis. Van de vijftiende tot het einde van de zeventiende eeuw bestond een breed geloof in het bestaan van heksen die een verbond met de duivel hadden gesloten en daarom omgebracht moesten worden.

Achteraf kun je spreken van een collectieve waan, die des te verderfelijker en hardnekkiger was omdat een van hekserij verdachte vrouw nooit haar onschuld kon bewijzen. Zo werden misoogsten, natuurrampen, persoonlijke ongelukken en ziektes toegeschreven aan de kwaadaardige invloed van heksen. Bezetenheid door demonen werd ook beschouwd als een gevolg van de machinaties van een heks. Voor alle duidelijkheid: de bezetene was niet de heks, maar het slachtoffer. Het boek Malleus Maleficarum (1486), zowel een inventarisatie van de heksenpraktijken als een handleiding om ze op te sporen, stond – volgens de huidige normen – bol van de demonenangst, vrouwenhaat en seksuele obsessies.

Geleidelijke verdringing

Toch had niet iedereen dezelfde opvattingen over hekserij, zoals Marius Engelbrecht laat zien in zijn boek De onttovering van de waanzin. Deze studie (een bewerkte versie van zijn proefschrift waarop hij twee jaar geleden in Utrecht promoveerde) is een mentaliteitsgeschiedenis en gaat over de geleidelijke verdringing van het magische mensbeeld door een meer psychologische zienswijze. Bezetenheid (hysterie, waanzin) is een goed voorbeeld om die verandering aan af te lezen.

De artsenij hanteerde al vijftien eeuwen lang de vier-humeuren-theorie van Hippocrates en Galenus om ziektes te verklaren. Hierin was sprake van vier soorten lichaamsvochten (bloed, zwarte gal, gele gal en lymfe) die in balans moesten zijn. Ook had je de theorie van de wandelende baarmoeder die bij vrouwen tot hysterische aandoeningen kon leiden.

Het lichaam werd gezien als bevattelijk voor geesten die vrij rondzweefden. In de Bijbel stonden genoeg voorbeelden van ongelukkigen die door onreine geesten werden geënterd. Voor 17de-eeuwers hoorden engelen en demonen bij de werkelijkheid.

De symptomen van bezetenheid waren lichamelijk, maar de oorzaak werd als extern beschouwd. De Nederlandse geneesheer Johannes Wier (1515-1588) beleed als een van de eersten openlijk zijn twijfels over hekserij. In zijn boek Over duivelse begoochelingen (1563) trekt hij een vergelijking tussen bovennatuurlijke fenomenen en goochelaars op de markt die illusies vertoonden waar het publiek versteld van stond. Wier was van mening dat arme, oude, onwetende vrouwen alleen maar hekserij bekenden omdat ze gemarteld werden. Hij geloofde overigens wel in het bestaan van demonen.

De scepticus Reginald Scot (1538-1599) keerde zich tegen alle bovennatuurlijke verklaringen. Als heksen zoveel macht hebben dat ze kwade geesten ergens toe kunnen bewegen, betoogde hij, waarom zorgen ze dan niet dat zij zelf rijk, mooi en eeuwig gezond blijven? Door te stellen dat mensen in staat zijn tot bovennatuurlijke handelingen wordt Gods glorie bezoedeld.

In de 17de eeuw werd de ‘War on Truths’ uitgevochten tussen geleerden, artsen, theologen en filosofen, waarbij het bovennatuurlijke kamp steeds meer terrein prijs moest geven aan het kamp der natuurlijke verklaringen. Dit alles met instandhouding van de religie, wat geen gemakkelijke opgave was. Als je begint met uitrangeren van bijgeloof, loopt ook het geloof zelf gevaar.

Verschillende artsen hebben bijgedragen aan de onttovering van bezetenheid door te wijzen op diagnoseproblemen. Tussen hysterie en aanstellerij lag een dunne scheidslijn. In zorgvuldig beschreven ziektegeschiedenissen merkten zij naast de gebruikelijke humeurenverstoring ook voordelen voor patiëntes op: aandacht en zorg van de familie en de vrijheid om zich te misdragen. De term ziektewinst komt van Freud, maar het verschijnsel is natuurlijk van alle tijden. Ook als artsen niet zo ver wilden gaan om bezeten patiënten van opzettelijke manipulatie te betichten, bood een natuurlijke verklaring voor de symptomen meer aangrijpingspunten voor medisch handelen. Hield men het op bezetenheid, dan bestond de remedie uit exorcisme (geen artsenpraktijk).

De belangrijkste doorbraak was de ontdekking van de bloedsomloop en van de functie van het hart als pomp door William Harvey. Dit sloeg de basis onder de humeurenleer weg en maakte van het lichaam een gesloten systeem. Terwijl vroeger sappen en vochten in alle richtingen door het lichaam stroomden, vatte nu het idee post dat het lichaam werkte volgens fysische wetmatigheden.

Vervuilde sappen

Voor invasies uit de wereld der geesten was steeds minder ruimte. Wel werd de menselijke geest zelf (de psyche) belangrijker. De arts Thomas Snydenham (1624-1689), een man van de praktijk, wierp de hypothese op dat bij hysterie de geest niet bezwijkt onder verstoorde organen en vervuilde sappen, maar andersom: verwarde geesten werken via het zenuwstelsel in op het lichaam.

Thomas Willis (1621-1675), een arts met interesse in chemie, ontwierp onder invloed van John Locke een indeling in lichaam, onsterfelijke ziel en corporele ziel. De corporele ziel viel uiteen in vitale ziel (elementaire lichaamsfuncties) en sensitieve ziel (wat je denkt op grond van zintuigen). Dit was een gevaarlijk propositie, omdat in theorie alle denkinhouden door de sensitieve ziel gedacht kunnen worden. Als materie kan denken, waar is de onsterfelijke ziel dan nog voor nodig?

Het honderdjarige debat over het bestaan van demonen en heksen is boeiend om te volgen, omdat het niet langs voorspelbare lijnen verloopt. Tegen het eind van de schermutselingen traden Joseph Glanville (pro) en John Webster (contra) tegen elkaar in het strijdperk. Het grappige is dat de argumenten van de gelover in hekserij een sterkere indruk maken dan die van diens tegenstander.

Glanville was voorvechter van de empirische methode en wilde het bestaan van hekserij wetenschappelijk bewijzen. Hij had bezwaar tegen het gecentraliseerde godsbeeld dat geen ruimte liet voor goede of kwade geesten. Als de onsterfelijke ziel (waarvan het bestaan niet ter discussie stond) een lichaam uit kan, moet een andere geest erin kunnen. Destijds waren mensen die op bezemstelen vlogen al niet meer te verdedigen, maar in het kader van uittredingen en trances moest een geest op een bezemsteel nog wel mogelijk zijn.

Webster was een puritein en een alchemistische arts, die het allemaal bijgeloof vond. Hij gooide het op fantasie, suggestie en natuurlijke verklaringen, maar geloofde wel dat de corporele ziel na de dood als een etherisch lichaam een tijdje blijft rondzweven en zich ergens aan kon hechten. Alleen plaatst hij religie buiten de menselijke waarneming en, dus ook buiten de wetenschap.

Hun opvattingen liggen goedbeschouwd helemaal niet ver uiteen, en dat komt doordat de ruimte voor het bovennatuurlijke als verklaringsgrond ook voor de strikt religieuzen steeds kleiner werd.

Dit laatste is geen nieuw inzicht, maar het is interessant om te lezen hoe men in de 17de eeuw worstelde met nieuwe ontdekkingen en debatteerde over lichaam/geest, de bestrijding van sektes en het altijd op de loer liggende gevaar van atheïsme.

Marius Engelbrecht: De onttovering van de waanzin. Hoe het psychologisch mensbeeld het magische verdrong. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 367 blz. € 22,50