Oud hondenoffer lijkt sterk op Vedisch ritueel

Bij opgravingen van een kleine bronstijdnederzetting in Krasnosamarskoe, in Zuid-Siberië niet ver van de Wolga, zijn keurig in stukken gehakte resten van ten minste 51 honden en dertien wolven en wolfachtigen gevonden. Opvallend is dat de vijftien dieren waarvan kon worden achterhaald in welk seizoen ze geslacht waren, vrijwel alle in de winter waren geslacht. Hierdoor, en ook door de vele geofferde schapen, paarden en koeien, zijn de betrokken archeologen, Dorcas Brown en David Anthony van Hartwick College in de VS, ervan overtuigd dat Krasnosamarskoe in de periode 1.900 tot 1.700 voor Christus functioneerde als een regionaal religieus centrum. Ze leggen ook een direct verband tussen het gevonden hondenslachtritueel en oude Indo-Europese mythen. Op basis van Vedische verhalen uit India, die meer dan drieduizend jaar geleden ontstaan zijn, speculeren Brown en Anthony dat in Krasnosamarksoe jonge mannen werden ingewijd in de mannelijke krijgerswereld. Een van de testen was dat ze hun eigen hond moesten doden en de huid als kledingstuk moesten dragen in de strijd.

De vondst is deze week bekend gemaakt in een persbericht van National Geographic. Afgelopen december schreven Brown en Anthony een uitgebreid verslag voor een congres over Indo-Europese migraties in Kopenhagen, dat is terug te vinden op academia.edu. De bewoners van Krasnosamarksoe behoorden in deze periode tot de uitwaaierende Indo-Europese taal- en cultuurgemeenschap, waaruit de meeste moderne talen van Europa ontstonden, maar ook het Perzisch en het Hindi.

Brown en Anthony zien vooral een verband met de Vrâtyas, ‘hondenpriesters’ uit de oude Indische Vedische teksten, die tot meer dan 1.000 jaar voor christus terug gaan. Die priesters hielden rond midwinter een twaalf dagen durend slachtritueel, dat ook in verband is gebracht met de Romeinse Lupercalia, waarbij midden in de winter honden worden geofferd. De Vrâtyas vormden ook een soort roofbendes, die lijken op initatiegroepen.

Hendrik Spiering