Nu een Taalunie met smoel, graag

Te veel mensen zien de Taalunie als onbelangrijk, zegt algemeen secretaris Geert Joris. „We gaan het debat over de taal weer aanjagen.”

Nederland, Den Haag, 21052013 - Portret Geert Joris, algemeen secretaris van de Taalunie Foto: David van Dam

Nederland moet weer terug naar één spelling. Het is één van de prioriteiten van Geert Joris (53), de in januari aangetreden nieuwe algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie. „We kunnen niet allemaal roepen dat we geen spellingshervorming meer willen en dan toch twee spellingen naast elkaar laten bestaan”, zegt de Vlaming in zijn eerste interview als algemeen secretaris.

De Taalunie, in 1990 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regeringen om de ontwikkeling en het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen, heeft sinds 2005 een meningsverschil met het Genootschap Onze Taal over spellingsregels. Naast het officiële Groene Boekje van de Taalunie bracht het Genootschap, een vereniging van ruim 50.000 taalliefhebbers, samen met een aantal media het alternatieve Witte Boekje uit.

„Eigenlijk is iedereen het erover eens dat we van die twee spellingsboekjes af moeten”, zegt Joris. „Er komt gewoon een nieuw Groen Boekje in 2015, waarin ook nieuwe woorden zullen worden opgenomen. Daar zullen wij als Taalunie draagvlak voor moeten creëren. Natuurlijk zullen er commentaren komen op de gemaakte keuzes. Is dat erg? Nee, maar je moet dan niet in de oesterschelp gaan zitten en wachten tot het overwaait.”

De Taalunie heeft zich onder zijn voorgangers te veel verscholen, vindt hij. Zij kozen voor een rol achter de schermen, Joris wil dat de Taalunie het debat over de Nederlandse taal aanjaagt. „De Taalunie moet meer smoel krijgen”, zegt hij. „Het was mij ook nooit opgevallen wat de Taalunie allemaal deed, totdat ik in 2011 in de visitatiecommissie kwam.”

De Taalunie doet onderzoek, adviseert en geeft subsidies aan organisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van de Nederlandse taal. Ze reikt de Prijs der Nederlandse Letteren uit en geeft taaladviezen via internet. Ze stimuleert de ontwikkeling van taal- en spraaktechnologie in het Nederlands. Ze houdt contacten met de circa 180 universiteiten in 40 landen waar Nederlands wordt gedoceerd.

Die organisatie moet meer ‘sexy’ worden, zei Joris toen hij in november werd voorgesteld door de ministers van Nederland en Vlaanderen. Joris was toen nog directeur van Boek.be, de brancheorganisatie van boekverkopers, uitgevers en importeurs. „Ik heb ook gezegd dat we de gevel hier aan het Lange Voorhout in Den Haag groen met oranje bollen moeten schilderen. Daar schrokken ze hier van: ‘Dat gaan we toch niet echt doen?’ Nee, natuurlijk niet. Maar we moeten niet langer worden gezien als een clubje dat zich achter deze statige gevel bezighoudt met obscure taaldingen.”

Zo wil Joris dat de Taalunie veel sneller kan reageren op nieuwe woorden. Die moeten niet zoals nu eens in de tien jaar toegevoegd worden aan de officiële woordenlijst als er weer eens een nieuw Groen Boekje uitkomt. „Dat hoort niet in deze digitale tijd. Zodra een nieuw woord ontstaat, moet het snel opgenomen kunnen worden in een officiële digitale woordenlijst. Neem een woord als ‘Frietchinees’ [door het Vlaamse publiek gekozen als Woord van het jaar 2012, red]. Ik geef u zo vijf verschillende manieren waarop u het kunt spellen. Wij moeten sneller het voortouw kunnen nemen wat dan de schrijfwijze is. Dat is voor mij een prioriteit, maar het is een politieke beslissing of we dat mogen doen.”

Tijdens het gesprek veegt Joris op zijn iPad door een presentatie van plannen, die hij heeft gemaakt voor zijn bazen, het comité van ministers. Hij wil de Taalunie „verzakelijken”. Afdelingen moeten businessplannen maken, nieuwe mensen moeten worden aangetrokken en hij zou met bonussen willen werken bij gesubsidieerde organisaties die hun doelstellingen halen. „Ik wil dat wij gaan van betalen naar bepalen. We worden te veel gezien als een partij die af en toe een zak geld geeft, waar de partners vervolgens zelf hun ding mee kunnen doen.” Bij ‘partners’ denkt hij ook aan organisaties die direct onder de verantwoordelijkheid van de Taalunie vallen, zoals de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. „Zij hebben de neiging een koers te varen die niet altijd de koers van de Taalunie is.”

Joris wil meer discussie over het veelvuldig én slechte gebruik van Engels, bijvoorbeeld in het onderwijs. „Wij bereiden een advies voor het hoger onderwijs voor, waar het Engels steeds verder oprukt. Daar moet je kritisch naar durven kijken. De native speakers zijn daarbij onze natuurlijke partners. Zij zien ook niet graag dat hun Engelse taal wordt gebruikt in een soort koeterwaals. Ze zien zo hun eigen taal teloorgaan.” Juist om in de digitale wereld niet afhankelijk te worden van het Engels, investeert de Taalunie veel in taal- en spraaktechnologie. Dat moet volgens Joris nog meer gebeuren. „Mede dankzij de Taalunie heeft u een stem in de auto die u in het Nederlands de weg wijst. Zonder ons zou dat alleen maar in het Frans of Engels zijn. Dat weten te weinig mensen.”

De Taalunie stimuleert de ontwikkeling van taal- en spraaktechnologie en wisselt die uit met onderwijsinstellingen en bedrijven. „In andere taalgebieden zijn ze daar minder ver mee. De Taalunie kan zich zo internationaal profileren en een rol spelen in de creatieve industrie, een van de topsectoren.”

Met de Prijs der Nederlandse Letteren wil Joris meer aan de weg timmeren, al weet hij nog niet hoe. „Er is wel gezegd dat de Prijs der Nederlandse Letteren meer de Nobelprijs voor Nederlandstalige literatuur zou moeten worden. Dat is een mooie missie. Het is veelzeggend dat als een schier onbekende de Nobelprijs wint dat alle voorpagina’s haalt, maar dat er weinig wordt geschreven als wij onze prijs uitreiken.”

Grote aandacht kreeg de prijs alleen toen Jeroen Brouwers hem in 2007 weigerde. Hij vond het prijzengeld van 5.000 euro een belediging. Joris: „Ik heb er mijn bedenkingen bij dat het prijzengeld destijds verhoogd is naar 40.000 euro. Ik zou hebben geadviseerd er 1 euro van te maken. Het moet gaan om de eer, het bedrag zal altijd te laag zijn.”