‘Mr Euro’ ligt onder vuur in Brussel

De Nederlandse minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, is vijf maanden voorzitter van de eurogroep. In Brussel wordt over hem gemord en openlijk gespeculeerd over de benoeming van „een echte president” voor de eurolanden.

Jeroen Dijsselbloem, met naast hem de Haagse topambtenaar Focco Vijselaar en twee woordvoerders, na afloop van een vergadering met Europese ministers van Financiën. Foto ANP

Vorige week maandag ging in het grote Europese vergadergebouw al om half acht ’s avonds het verhaal dat de zeventien euroministers van Financiën klaar waren met vergaderen. „Eindelijk heeft de eurogroep een efficiënte manager”, zei een diplomaat uit een euroland, die er afgelopen jaren aan gewend raakte dat de ministers tot diep in de nacht doorgingen. Dit is een van de weinige complimenten die de Nederlandse minister Jeroen Dijsselbloem krijgt sinds hij het voorzitterschap van de eurogroep in januari heeft overgenomen: dat hij met strakke hand vergaderingen leidt. Hij begint vroeger en kapt geneuzel af. Maar daarmee houdt het wel een beetje op met de complimenten.

Een rondgang langs hoge Europese en nationale ambtenaren – geroutineerde deelnemers aan vergaderingen van de eurogroep – en andere betrokkenen levert één grote klaagzang op. Steeds meer van hen verlangen terug naar de tijd dat de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker de groep voorzat. Sommigen voorspellen dat de weerbarstige en tamelijk disfunctionele ploeg ministers over een jaar een nieuwe, permanente voorzitter heeft.

Vorige week pleitte de Franse president François Hollande nog voor een „economische regering” voor de eurozone, geleid door „een echte president, aangesteld voor lange tijd”. De Italiaanse minister Emma Bonino sloot zich daar bij aan. Dit is een bekend Frans stokpaardje, maar Hollande komt daar niet voor niets nu op terug. De kritiek op Dijsselbloem klinkt in meerdere landen en is fundamenteel: hij zou het Nederlands belang te zwaar laten wegen om als ‘neutrale vertegenwoordiger’ namens zeventien euroministers te kunnen spreken. Luxemburg wees anderen er vóór Dijsselbloems benoeming al op dat alles anders ging worden: „De Haagse ambtenarij heeft de neiging alles naar zich toe te trekken.” Dit is in veler ogen precies wat er nu gebeurt.

Diverse betrokkenen, die vanwege de gevoeligheid van de materie alleen anoniem willen spreken, benadrukken dat hun bezwaren niet persoonlijk zijn. Vrijwel allen vinden Dijsselbloem plezierig in de omgang, zeker vergeleken met diens voorganger Jan Kees de Jager. Wat hen stoort, is dat Nederlandse ambtenaren van Financiën langzaam de coördinatie van de eurogroep naar zich toetrekken. Daardoor krijgt het collectieve standpunt meer Nederlandse accenten dan vroeger – van het laten meebetalen van rekeninghouders bij bankfaillissementen tot schoolmeesterlijke vermaningen aan zuidelijke landen.

Zo moest Dijsselbloem naar Washington voor de jaarvergadering van IMF en Wereldbank. Hij moest namens de zeventien eurolanden spreken, ook bij denktanks als de Brookings Institution en de Bertelsmann-stichting. Juncker had een voormalige Oostenrijkse topambtenaar van Financiën, Thomas Wieser, aangesteld om vanuit Brussel dit soort bijeenkomsten voor te bereiden. Wieser is iemand met expertise, die sympathie en gezag heeft opgebouwd – een prestatie in de Europese slangenkuil. Hij runt een eenmanskantoortje, met alleen een secretaresse. In Junckers dagen belde hij hoofdsteden af om standpunten te verzamelen voor een eurogroep of buitenlands optreden van Juncker. Als er gedoe was, belde Juncker ministers om kwesties vlot te trekken. Meestal veranderde Juncker geen letter aan briefings uit Brussel. Hij had een afkeer van bureaucratie en regelde alles met Wieser. „Tussen die twee ging het ad hoc en snel”, zegt een betrokkene, die zich niet herinnert dat Juncker ooit het verwijt kreeg ‘te Luxemburgs’ te zijn.

Dijsselbloem leunt meer op Haagse ambtenaren. Meerdere betrokkenen vertellen dat hun inbreng voor Washington eerder klaar moest zijn dan voorgaande jaren, omdat alles in het Nederlands werd vertaald. Kennelijk is dat vertalen min of meer standaard: mensen die tijdens Nederlandse EU-voorzitterschappen met Haagse ministeries te maken hadden, viel hetzelfde op. Nederlandse ambtenaren weefden daar vervolgens Nederlandse accenten in. Dit was nieuw voor de eurogroep. Het ging als een lopend vuurtje door de hoofdsteden. „Wat Dijsselbloem zei, was met een Nederlands sausje overgoten”, bevestigt een nationale ambtenaar. Volgens hem gebruiken de Nederlanders Wieser wel, maar hebben ze naast hem een zwaardere, parallelle structuur gezet – het ministerie zelf. Den Haag doet nu óók aan Europese coördinatie.

Als voorbeeld van een ‘Nederlands sausje’ noemt hij de controversiële ‘bail-in’ bij reddingsacties van banken: Dijsselbloem wil dat banken en desnoods rekeninghouders zoveel mogelijk betalen als het misgaat, niet de overheden. Dijsselbloem weet dat sommige landen dat anders zien, maar blijft het zeggen. Den Haag vindt dat hij, door voor de troepen uit te lopen, een discussie aanzwengelt die Europa nodig heeft. En dat Nederland – groter dan ‘postzegel’ Luxemburg – daarop best zijn stempel mag drukken. Pleitte Juncker als voorzitter niet constant voor euro-obligaties? Daar moet Nederland weer niets van hebben.

Juncker betrok nauwelijks Luxemburgers bij de voorbereiding van eurogroepen. Die bleven op de achtergrond. Dijsselbloem brengt meer ambtenaren mee. Zij lijken het aloude cliché dat Nederlanders ‘te lang praten en anderen vertellen hoe het moet’ te bevestigen. Thesaurier-generaal Hans Vijlbrief, die ook voor De Jager werkte, is kennelijk vaak aan het woord. Velen noemen hem competent, sommigen zien in hem een joviale bourgondiër – maar wel een ietwat botte bourgondiër. Strenge uitspraken die Vijlbrief vroeger over Griekenland en andere zuidelijke landen deed, worden hem door sommige delegaties – niet alleen zuidelijke – nog nagedragen. „Vijlbrief doet soms alsof Nederland de hele rekening voor Griekenland, Portugal, Ierland en Cyprus betaalt”, zegt een nationale diplomaat. „Maar Malta betaalt relatief meer dan Duitsland. Dit zet kwaad bloed.”

Nu kun je mensen horen zeggen dat „Vijlbrief de eurogroep runt”. Een andere ambtenaar, directeur buitenlandse financiële betrekkingen Focco Vijselaar, is in Brussel niet erg populair omdat „hij iedereen steeds de les leest”. Een diplomaat beaamt: „Misschien zien wij het verkeerd, maar dit is niet een ploeg waarmee Dijsselbloem onze hearts and minds kan winnen. Zijn benoeming was controversieel. Dat broeit nog. Ik vraag me af of hij dit beseft.”

Dijsselbloems benoeming is georkestreerd door de Duitsers. Toen Juncker vorig jaar zijn vertrek aankondigde, wilde de Duitse minister Wolfgang Schäuble hem opvolgen. Maar haast niemand wilde Schäuble, omdat het dominante Duitsland dan ook formeel heer en meester over de eurozone werd. Toen Dijsselbloem in november De Jager opvolgde en Nederland een gematigder uitstraling leek te krijgen, zag Schäuble in hem een loyaal alternatief. Velen waarschuwden: Dijsselbloem is onervaren. „Is dit een post die een minister ‘erbij’ kan doen”, vroegen anderen, vooral een nieuweling die zich zelfs Haagse dossiers nog eigen moest maken? Maar Schäuble wilde geen permanente, fulltime voorzitter. Zo’n man moet een secretaresse hebben en een kantoor – voor je het weet hebben we er wéér een Europese instelling bij. Schäuble wilde het voorzitterschap van de eurogroep in handen van „een hoofdstad” houden, omdat ze daar tenminste weten wat er in de wereld gebeurt. Nederland denkt er net zo over.

Maar Schäuble, vertellen meerdere bronnen, is van gedachten veranderd. Volgens welingelichte bronnen verzoent ook bondskanselier Angela Merkel zich met het idee dat de eurogroep een permanente voorzitter moet hebben. Zij hebben daar een paar redenen voor.

Eerst weigerde Dijsselbloem in februari uit te sluiten dat rekeninghouders moesten meebetalen aan bankverliezen op Cyprus. Dit leidde tot kapitaalvlucht uit Cyprus – een onhandige manoeuvre voor iemand die de integriteit van de eurozone bewaakt. Toen kwam, in maart, de beruchte lange nacht over Cyprus. Zoveel deelnemers dreigden met veto’s (in de eurogroep wordt alles met unanimiteit beslist), dat het omzeilen van die veto’s een doel op zich werd. Die dynamiek leidde tot een monsterlijk besluit, waarvoor Dijsselbloem als voorzitter verantwoordelijk was: spaarders met minder dan 100.000 euro op de bank, voor wie Europese depositogarantie geldt, verloren geld. Velen betwijfelen of dit onder Juncker gebeurd was. Een Europees ambtenaar zegt: „Juncker had op zeker moment gezegd: jongens, stop, dit kan niet. Maar Dijsselbloem, die vooral luistert naar zijn Haagse staf, die vóór meebetalen door rekeninghouders is, greep niet in.”

Wat Dijsselbloem parten speelt, is dat er een soort Juncker-nostalgie door Brussel waart. Juncker, de enige andere voorzitter die de eurogroep ooit had (vanaf 2005), is een Europees federalist van een zeldzaam soort: eentje met gezag. Zijn warrigheid en drankgebruik lijken vergeten. Sommigen vertellen bijvoorbeeld dat Dijsselbloem correct maar „op het ijskoude af” was tegen de Cyprioten. Dan zeggen ze er in één adem bij: „Als ministers hun Griekse collega in de tang namen, kwam Juncker juist voor de Grieken op.”

Door publieke commotie over de kleine spaarders werd het Cyprus-besluit meteen herroepen. Daarna trok president Van Rompuy de regie naar zich toe. Tien dagen later arrangeerde hij een nieuw akkoord. Dijsselbloem werd daar „voor de vorm bijgevraagd”, maar als junior van de bijeenkomst zweeg hij grotendeels. Den Haag had voor dezelfde dag een eurogroep bijeengeroepen, kennelijk zonder de timing met Brussel kort te sluiten. Gevolg: ministers moesten op een zondag acht uur wachten, tot Van Rompuy een deal had met de Cyprioten. Sommigen vonden dat niet leuk.

Vervolgens stoorde Berlijn zich aan Dijsselbloems uitspraken in de Financial Times eind maart, dat rekeninghouders voortaan vaker zouden moeten meebetalen bij het redden van banken. Europese landen onderhandelen hier nog over. Niet elk land staat erachter. Onder voorstanders is onenigheid over de timing, en over de vraag wie er als eerste offers moeten brengen: aandeelhouders, obligatiehouders, rekeninghouders?

„Het is onverstandig beleggers te vertellen dat ze moeten meebetalen, als je niet kan zeggen waar ze staan in de pikorde”, zegt Sharon Bowles, voorzitter van het economisch en monetair comité van het Europees parlement. Aandelen van Europese banken daalden na Dijsselbloems uitspraken. Bowles en collega’s hebben Dijsselbloem hierover snoeihard verhoord. De uitspraken leidden ook tot „woedende telefoontjes tussen hoofdsteden”, zegt een Europees ambtenaar. Volgens hem zal dit Dijsselbloem nu de kop niet kosten. „Maar één verlaging van de kredietstatus van een Europese bank, en hij hangt. Dan zullen ministers die zijn benoeming met tegenzin slikten omdat ze te zwak waren om tegen Schäubles favoriete kandidaat in te gaan, hun mond opendoen en zeggen: nu is het genoeg. Deze man maakt onze banken kapot.”

Het ministerie in Den Haag wil niet officieel reageren. De boodschap daar lijkt te zijn: geef de man een beetje tijd, oordeel niet te vroeg. De vraag is of je met een andere minister als voorzitter niet op dezelfde problemen zou stuiten – trotse nationale bureaucratie, inhoudelijke stokpaardjes. Critici beseffen dit. Daarom denkt niemand aan een andere minister als parttime voorzitter, maar aan een fulltimer zónder nationale administratie, die het gemeenschappelijk belang kan dienen. „Het beste wat de eurogroep kan doen”, zegt Peter Ludlow, de welingevoerde historicus van de Europese Raad, „is een permanente, ervaren, neutrale voorzitter benoemen. Een parttimer met twee petten op werkt niet.” Ludlow zegt dat het idee van een permanente voorzitter „de laatste weken in de meest onverwachte hoeken aan sympathie wint”.

Iedereen beaamt dat de eurogroep geen makkelijke groep is om te leiden – integendeel, een deel van het probleem zit dáár. Naast zeventien ministers zitten ook de drie troika-leden erin: de Europese Centrale Bank, de Europese Commissie en het IMF. Zij hebben een moeilijke verstandhouding, door fundamentele meningsverschillen over banken in Portugal, de schuldenreductie van Cyprus en dergelijke.

Iedereen bevestigt dat een club met twintig leden die unaniem beslissen, in een tijd dat kapitaal in milliseconden de wereld overgaat, in een museum thuishoort. Vergaderingen zijn soms zo moeilijk dat groepjes zich losmaken om te proberen het eerst onderling eens te worden en daarna de rest mee te krijgen. Soms zijn dat de ‘triple A’-landen (de landen met de hoogste kredietstatus), die besluiten voorkoken in wat voormalig premier van Italië Mario Monti noemt „de nieuwe Europese creditocratie”. Soms is het de ‘club van Frankfurt’: enkele grote eurolanden, samen met ECB en IMF. Alles gaat ongestructureerd, waarbij de groten soms over de kleineren heen walsen.

„Meerderheidsbesluitvorming”, zegt Guntram Wolff van denktank Bruegel, „is nodig om de eurozone weer slagkracht te geven. De eurogroep is van de vorige eeuw. Ze symboliseert alles wat er mis is met de architectuur van Europa.” Maar om landen in de eurogroep hun vetorecht af te nemen en bij meerderheid te stemmen, mochten regeringen dat al willen, is een wijziging nodig in het Europees verdrag. Er zijn Duitse verkiezingen dit najaar. Bondskanselier Merkel wil voor die tijd geen grote Europese projecten. Daarna zijn er Europese verkiezingen (2014) en komt er een nieuwe Europese Commissie (2015). Zo’n verdragswijziging, die ingrijpend en tijdrovend politiek sleutelwerk vergt, kan jaren vergen. Een alternatief kan zijn een apart verdrag voor de eurozone, met alleen de eurolanden. Ook dit is niet iets voor morgen. Tot die tijd moet de eurogroep roeien met de riemen die ze heeft. Daarmee komt alles aan op het gewicht en de tact van de voorzitter. Dat is misschien wel meer dan je van een minister kunt vragen.