Ik zou mijn moeder verwend hebben

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat.Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Ik had haar zo graag nog meer fijne jaren bezorgd. Dan hadden we hier aan de keukentafel gezeten en kunnen praten over haar en mijn jeugd. Over opvoeden: vijf kinderen heeft zij grootgebracht – allemaal VWO gedaan, allemaal goed terechtgekomen. Over tuinieren, een liefde van ons beiden. Over al die kleine en grote dingen die een dochter zo graag met haar moeder deelt.

„Ik zou haar verwend hebben. Dat had ze verdiend. Ze heeft een zware jeugd gehad. Ze is opgegroeid op een boerderij op de Veluwe, als oudste dochter in een gezin met tien kinderen. Toen ze vijftien was, stierf haar moeder, plotseling. In de tien jaren daarna heeft zij het gezin draaiende gehouden. Het jongste zusje was toen net een jaar.

„Mijn moeder heeft nooit over de dood van haar moeder kunnen praten. Gevoelsmatig heeft ze dat, denk ik, niet kunnen verwerken. Ze was niet zo’n prater. Ze had een karakter met een sombere kant. Het protestantse geloof hielp haar niet de zonnige kant van het leven te zien.

„Ons, als kinderen, heeft ze altijd gestimuleerd door te leren. Zelf had ze schoolschriften bewaard die vol stonden met tienen. ‘Grijp de kansen die ik nooit heb gehad’, zei ze. Ik was de eerste in mijn familie die geneeskunde ging studeren: in Amsterdam, meteen op kamers, met een druk studentenleven.

„Mijn moeder belde me als ik tentamen had gedaan: ‘En, hoe ging het?’ Tegelijk kon ze zich moeilijk inleven in die andere wereld waarin ik was terechtgekomen. Als ze een dagje naar Amsterdam kwam, zei ze al snel: ‘Kan ik iets voor je strijken?’

„Ik voelde in die jaren dat er een kloof tussen ons groeide. Zij ook, ze gaf me een keer een knipsel uit een tijdschrift: van een moeder die schreef hoe moeilijk ze het vond haar kinderen naar een wereld te laten gaan die zij niet kende.

„Ik dacht: straks groeien we weer naar elkaar toe, als ik getrouwd ben, kinderen krijg, een gezinsleven heb. Dan komen we toe aan de alledaagse dingen die zij zelf niet met haar eigen moeder heeft kunnen delen.

„In de zomer van 1996 vertrok ik voor een jaar naar Londen om te werken op een afdeling ouderenpsychiatrie, als onderdeel van mijn specialisatie geriatrie. Eind september kreeg mijn moeder de diagnose alvleesklierkanker. Dan weet je als dokter direct wat dat betekent.

„Het verloop van mijn moeders ziekte is verschrikkelijk geweest. Een zieke alvleesklier kan je hormoonhuishouding in de war sturen. Ze werd ernstig depressief en angstig. Ze moest worden opgenomen in een psychiatrische instelling.

„Ik pendelde heen en weer tussen Engeland en Nederland. Ik was onder de indruk van de kwaliteit van de zorg in Londen. Ik vond dat mijn moeder niet goed behandeld werd. Dat maakte het dubbel ingewikkeld: als dochter zag ik haar lijden, als specialist in opleiding vond ik dat de zorg voor haar tekortschoot.

„Ik heb me zo machteloos gevoeld in die tijd. Ik heb gedacht: ik neem haar mee naar Londen. Ik worstelde met de vraag of ik wel kon doorgaan met mijn studie en de zorg voor andere mensen terwijl mijn eigen moeder er zo slecht aan toe was. Ik weet nog dat ik naast haar zat en de neiging had bij haar in het ziekenhuisbed te kruipen om haar af te schermen van die diep ellendige toestand waarin ze was terechtgekomen.

„Op het eerste jaar na haar dood kijk ik terug als een zware, zwarte periode. Ik kon haar niet loslaten. Ik voelde me schuldig. Had ik haar lijden toch niet kunnen verzachten? Had ik toen en toen niet moeten ingrijpen? Ik moest onder ogen zien dat ze mijn eventuele kinderen nooit zou ontmoeten, net zoals het haar zelf was vergaan.

„Bij haar uitvaart zongen we ‘Wat de toekomst brengen moge’, wat eindigt met de zin: ‘Leer mij slechts het heden dragen, met een rustig kalme moed.’ Later trof me de regel ‘Leven is lijden’ uit het boeddhisme. In deze twee zinnen zit voor mij de verbinding tussen twee spirituele culturen waaruit ik inspiratie put.

„Als dochter en als dokter heeft het me doen voelen hoe ziekte en dood bij het leven horen. Rationeel bezien is dat geen bijzonder inzicht. Maar hoe je dat ervaart, hoe je dat verwerkt – dat is heel persoonlijk, dat doet ieder op zijn eigen manier.

„Mijn eigen ervaringen hiermee hebben me mede als arts gevormd. Als geriater werk ik voor mensen in hun laatste levensfase. Dan is behandelen vaak geen kwestie meer van genezen maar van zoeken naar een acceptabele balans. Chronische aandoeningen kun je hooguit verzachten en niet meer wegnemen. Wat je vooral kunt, is de tijd nemen voor patiënten en hun familie: goed luisteren naar hun verhaal, hun wensen, hun verwachtingen.

„Mensen zeggen wel: je leeft maar één keer. Hetzelfde geldt voor sterven. Ieder mens verdient een mooi levenseinde. Als ik daaraan als specialist kan bijdragen, geeft me dat voldoening, in de hoop dat het achterblijvers helpt hun verlies te dragen.”

Tekst Gijsbert van Es

Reacties: via nrc.nl/hetnabestaanTwitter: #nrc #hetnabestaan