Hoe te weinig bureaucratie willekeur kan opleveren

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Ronald van Raak (SP) en de komende enquête naar zorg en uitkeringen als gemeentetaak. Ofwel: weet u nog, die gijzeling in Almelo?

Dagen van lage Haagse verwachtingen zijn het. Somberte over de eigen goede bedoelingen domineert. Zie alle aandacht in de Kamer voor fraude – vorige week de toeslagen, deze week de zorg. Eindeloos weerklonken de oproepen de oplichters aan te pakken, keihard natuurlijk. Het specialisme van kleine politici, met kleine mogelijkheden.

Tegelijk doen ze in de coalitie niet meer moeilijk over de teleurstellingen van het regeren. Dinsdagavond sloeg ik in Café Dudok, tegenover de Kamer, wat tijd stuk bij een debatje georganiseerd door IKV PaxChristi (ja, dat bestaat nog), over ingrijpen in Syrië. Weer zo’n thema waar de politiek zichzelf steeds waarschuwt voor het eigen idealisme.

We waren hier bij de vredesbeweging, mensen aten een appeltje, en uiteraard werd de zaal op speelse wijze bij het debat betrokken. Meestemmen met de stellingen voor het forum – rode kaart voor ja, groene voor neen. Zo gebeurde het dat het VVD-Kamerlid Han ten Broeke, woordvoerder buitenland, terloops opmerkte: „Rood heeft gelijk. Dat zeg ik tegenwoordig veel te vaak naar mijn gevoel.’’

Een ander gevolg is dat het politieke circuit naar binnen keert. Samen voor ons eigen. De Kamer sprak dinsdag- en woensdagavond met Ronald Plasterk over zijn plannen met het openbaar bestuur – grotere provincies, grotere gemeenten, verplaatsing van rijkstaken naar het lokaal bestuur. De voorlopige uitkomst is ontluisterend: superprovincies op sterk water, verplichte 100.000+-gemeente geschrapt – en de decentralisaties gaan gewoon door. Ergo: de posities van de provincie- en gemeentepolitici zijn gered, de ongemakken voor de gemeenten (en vooral de burger) worden groter.

Cynisme is hier dus op zijn plaats. Het zou geen verrassing moeten zijn met de VVD aan het roer, de partij die graag praat over een kleinere overheid. Stef Blok, belast met het rijk, maakte deze week bekend dat hij op de ministeries 15.000 banen schrapt. Het CPB en de Rekenkamer geloven niet meer in dit soort plannen: komt nooit iets van terecht. En je kunt van Blok moeilijk zeggen dat hij het goede voorbeeld geeft: toen deze VVD’er tijdens de formatie over dreigde te schieten, breidden ze het kabinet speciaal voor hem uit met een extra ministerschap.

Maar enfin – nu de decentralisaties zonder grotere provincies en gemeenten worden voortgezet, is het wachten totdat de ramp zich voltrekt. Ronald van Raak, de slimme SP’er, kondigde woensdag „de parlementaire enquête” al aan „die we hier over tien jaar naar zullen houden’’. Het zou zomaar kunnen. Want in een maandje of acht is deze wereld volledig op zijn kop gezet. Die grotere provincies en gemeenten waren juist bedacht omdat ze zich anders straks in de gemeentehuizen geen raad weten met hun kolossale nieuwe taken. Er moet – globale schatting – voor ruim 30 miljard euro overheidswerk over naar de gemeenten, en daar krijgen ze een slordige 15 miljard voor. Het gaat alléén om gevoelige taken. Toewijzing van langdurige zorg (mag opa, 85, betaalde hulp in het huishouden?); jeugdzorg (Ruben en Julian); toekenning van uitkeringen (waarop het beroep zal groeien).

Nu kun je in filosofische zin goed verdedigen dat een deel van dit type voorzieningen door de burger zelf, of dichterbij de burger, wordt uitgevoerd. Het CDA bepleitte dit begin jaren tachtig al in Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij – en zette Elco Brinkman in, toen een piepjonge minister, om meer gezins- en burenhulp te bepleiten. En vrijdag beschreef PvdA-senator Kim Putters, straks directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in de Volkskrant dat Nederland moet veranderen van een verzorgingsstaat in verzorgingssteden. In feite het beleid van minister Plasterk.

Maar je hebt ideeën, en je hebt de praktijk. Van Raak heeft ook een punt, omdat deze pleidooien geen rekening houden met het fundamentele verschil in bestuurscultuur tussen de landelijke en de lokale overheid. Iedereen die dit verschil wil doorgronden, in al zijn beklemmende details, moet het boek Procedures en Pistolen van schrijver/onderzoeker Mirjam Pool lezen, dat vorige week uitkwam. Het beschrijft hoe het werkelijk toegaat in het lokale bestuur, waarom willekeur er volkomen logisch is, en vooral: waartoe dit kan leiden.

U weet het misschien nog: vijf jaar terug gijzelde een lokale ondernemer, gewapend en wel, een wethouder en enkele medewerkers op het stadhuis van Almelo. Hem zouden ten onrechte vergunningen voor zijn horecazaak zijn geweigerd. De overheid pakte de man hard aan, justitie ook, hij kreeg elf jaar celstraf. Intussen voltrok zich het onwaarschijnlijke: de publieke opinie keerde zich niet tegen de gijzelnemer, maar tegen de gemeente.

Pool legt uit wat hier speelde, en ik kan me iets voorstellen bij de lof die Ed. van Thijn (‘fascinerend’), Alex Brenninkmeijer (‘inzichtelijk’) en Meindert Fennema (‘magistraal’) haar geven. Almelose burgers herkenden zich massaal in de klacht van de horecaondernemer dat ambtenaren toezeggingen deden die ze niet nakwamen, terwijl bestuurders burgers gunsten zouden verlenen. Ook landelijke media – Zembla, Pauw & Witteman – gingen hierin mee, signaleert Pool, al was de werkelijkheid gecompliceerder.

Want Pool vertelde me deze week dat het gemeentebestuur „terecht op de rem stond”. De ondernemer betrok leningen van een schimmige financier – een onvindbare Poolse jongen, die documenten in het Arabisch ondertekende – zodat de vrees gerechtvaardigd was dat de zaak uit crimineel geld werd betaald. Dus op het moment van de gijzeling had de gemeente het volste recht geen vergunning te geven, zei Pool.

Maar toen was de volkswoede al niet meer te keren. Ondernemers kenden talrijke voorbeelden van willekeur. Boze burgers voegden er de bekende dreigementen aan toe.

En dit is het fascinerende: het was één groot misverstand. „Het echte probleem’’, zei Pool, „was dat Almelo te weinig bureaucratie had.’’ De toegankelijkheid van ambtenaren en bestuurders in de stad was zo groot dat de benadeelde burger altijd iets kon regelen. Zo bevestigde de gemeente, met de beste bedoelingen, de indruk van willekeur. „Almelo bleek de informele guncultuur van een dorp te hebben’’, zei Pool.

En toen lokale bestuurders met al die woede werden geconfronteerd, deden ze precies het verkeerde: ze gingen ‘erboven’ staan. „Wat dat betreft’’, zei Pool, „zijn bestuurders net journalisten: ze kunnen absoluut niet tegen kritiek.’’

Eén aspect van haar boek trof me in het bijzonder. Terwijl landelijke media er slecht afkomen, concludeert Pool dat de lokale Twentsche Courant Tubantia vanaf het begin correcte berichtgeving had, en de juiste analyses publiceerde.

Juist dit type kranten staat op instorten: vorige week werd bekend dat de regiodagbladen van Wegener twintig procent van hun banen schrappen, deze week gebeurde hetzelfde bij noordelijke regiokranten.

Meest frappante detail: een VVD-politicus, fractievoorzitter Mieke Geeraedts in de Brabantse staten, bepleitte hierop de instandhouding van dagbladen door de overheid omdat zij een „publiek belang’’ vertegenwoordigen. „Luister’’, zei ze me, „het rijk gooit al zijn problemen over de schutting bij de gemeenten. Het belang van controle op de lokale politiek is groter dan ooit.’’ Ze moest er niet aan denken dat die controle wegvalt.

Ik liet, ik dacht nogal onbezonnen, de term ‘giftig mengsel’ vallen: politici die hun functies beschermen, gevoelige taken inzake zorg en uitkeringen die voor minder geld naar gemeenten gaan, waar ze worden uitgevoerd, zie Almelo, in een (dorps)cultuur van informele afspraken – zodat de kans op volkswoede alleen maar groeit. „Ja’’, zei deze VVD-politica tot mijn verrassing, „dat zie ik ook. Ik ben het vollédig met u eens.’’

Stelligheden hebben zoals bekend iets potsierlijks, en niemand kan beweren dat er meer gewapende gijzelingen op komst zijn, maar je kunt er moeilijk omheen: als je alles overziet, is de kans erg klein dat Ronald van Raak over tien jaar zijn ongelijk in deze kwestie zal moeten erkennen.