Geen enkel Duits talent glipt nog door de mazen

Bayern München en Borussia Dortmund staan zaterdagavond tegenover elkaar in de Champions League-finale. In 2000 waren er nog grote zorgen over het voetbalniveau van de Duitsers: meer Laufpensum dan techniek. Hoe komen ze nu zo goed? „Talenten hadden we altijd al. Nu halen we er uit wat erin zit.”

Overal op het kunstgrasveld staan groepjes jongens van een jaar of achttien. Op deze bewolkte middag voeren ze testjes uit. De ene groep moet sprinten, met en zonder bal. Een andere groep moet met de bal aan de voet om vier poortjes dribbelen. En bij een derde groepje staan twee boardings vijf meter uit elkaar. De jongens staan ertussenin en moeten de bal zo snel mogelijk afwisselend tegen de twee planken trappen.

De jongens spelen in het hoogste jeugdteam van de Duitse Bundesliga-club VfL Wolfsburg, in de noordelijke deelstaat Nedersaksen. Al hun resultaten worden gemeten en opgestuurd naar de Deutscher Fussball-Bund (DFB). Mede op basis hiervan bepaalt de bond of de opleiding van Wolfsburg wordt beloond met drie sterren, het maximale aantal. Nu zijn het er nog twee.

Op het Londense Wembley staan zaterdagavond met Bayern München en Borussia Dortmund voor het eerst twee Duitse ploegen tegenover elkaar in de finale van de Champions League. Het is het logische uitvloeisel van een ontwikkeling die ook al enige tijd zichtbaar is in het Duitse nationale elftal.

Voorheen stond Die Mannschaft bekend om haar fysieke kracht en uitstekende mentaliteit. Die kwaliteiten bezit ze nog steeds, maar nu gecombineerd met technisch begaafde spelers en vloeiend aanvalsspel. Met spelers als Philipp Lahm en Bastian Schweinsteiger (Bayern), Marco Reus en Mario Götze (Borussia) en Mesut Özil en Sami Khedira (Real Madrid) doet het Duitse elftal niet onder voor giganten als Spanje en Argentinië.

Waarom is het Duitse voetbal tegenwoordig zo goed? Voor een antwoord op die vraag moeten we terug in de tijd, zegt chef redactie Christoph Biermann van voetbalmaandblad 11FREUNDE in Berlijn. Al vanaf 1997 waren er initiatieven om de Duitse jeugdopleidingen te verbeteren, maar drie jaar later kwam het pijnlijke besef dat het echt hard nodig was. In de eerste ronde van Euro 2000 verloor Duitsland in Rotterdam met 3-0 van een B-team van Portugal. Biermann: „Het was lang geleden dat we zo vroeg uit het toernooi lagen.”

Heel Duitsland boog zich over de vraag hoe de drievoudige wereld- en Europees kampioen zo diep was weggezonken. Biermann: „Het was vooral een tactisch probleem. Duitsland speelde nog steeds met een libero [laatste man], de toen 39-jarige Lothar Matthäus. Van zoneverdediging of flexibele posities op het veld had nog niemand gehoord.”

Ook de middelmatige voetballers in dat Duitse elftal uit 2000 baarden de natie zorgen. Met technisch beperkte spelers als verdediger Thomas Linke, middenvelder Dietmar Hamann en spits Carsten Jancker zou de strijd niet worden gewonnen. Met afgunst keken de Duitsers naar hun kleine buurland Nederland, waar wel telkens weer technisch begaafde talenten werden opgeleid. Het moest anders, vonden DFB en de Deutsche Fussball Liga, het verbond van Bundesligaverenigingen.

Met de nodige Gründlichkeit gingen ze te werk. Ze besloten alle clubs in de hoogste divisie te verplichten om jaarlijks een fors bedrag uit te geven aan de jeugdopleiding. Er werden regionale steunpunten opgericht, en veel meer jeugdtrainers opgeleid. Aan de jeugdopleidingen van de clubs werden de Eliteschulen des Fussballs gekoppeld, scholen die in hun lesprogramma’s rekening houden met de tijden waarop de talenten moeten spelen en trainen.

Het doel is geen enkel talent meer verloren te laten gaan, zegt de Nederlandse hulptrainer Andries Jonker van VfL Wolfsburg en voormalig assistent van Louis van Gaal bij Bayern. „Een zesjarig ventje krijgt een jeugdtrainer met een gedegen opleiding. Als hij talent heeft, wordt hij gezien door de voetbalbond. Vanaf zijn elfde of twaalfde kan hij instromen in de jeugdopleiding van een profclub, waar hij weer een betere opleiding krijgt. En door het grote aantal trainers glippen er nauwelijks nog talenten door de mazen van het net.”

Het resultaat van die sterke focus op de ontwikkeling van jeugdspelers is spectaculair te noemen. Zo telde de Duitse selectie voor het EK in 2012 maar liefst negen spelers onder de 23, tegen slecht één in 2000. Het aantal spelers onder de 21 in de Bundesliga is in tien jaar tijd verdubbeld.

Maar het verschil met het begin van deze eeuw zit niet alleen in kwantiteit. Ook kwam er een nieuwe visie op hoe de talenten moesten worden opgeleid. Dat is voor een belangrijk deel de verdienste van Matthias Sammer, Europees voetballer van het jaar in 1996, en nu technisch directeur van Bayern. In 2006 trad hij aan als sportdirecteur van de Duitse voetbalbond.

Sammer heeft goed om zich heen gekeken, zegt Andries Jonker. „Hij is in Spanje geweest, in Frankrijk, waar ze werken met centres de formation, en in Nederland, vanwege onze goede voetballers. Hij heeft overal aspecten van overgenomen, vooral wat betreft de technische ontwikkeling van spelers. Tegelijk heeft hij de Duitse mentaliteit en de traditionele nadruk op fysieke ontwikkeling behouden.”

Jonker was in 2001 medeverantwoordelijk voor de introductie van het Masterplan Jeugdvoetbal in Nederland, en ziet nu als trainer in Duitsland de overeenkomsten. „Zo spelen de kleinste kinderen op kleine veldjes met vijf tegen vijf. Op die manier heeft ieder kind veel balcontacten. De nadruk is verschoven van fysieke ontwikkeling naar de ontwikkeling van het voetbaltalent. En daar plukken ze nu de vruchten van. Er is ruimte gekomen voor middenvelders als Thomas Müller, Mesut Özil en Mario Götze. Fysiek niet indrukwekkend, maar fantastische voetballers. De kans is groot dat zij vroeger ondergesneeuwd zouden zijn.”

Terug in de tijd. Vooral in de jaren zestig en zeventig had West-Duitsland technisch bijna volmaakte spelers als Franz ‘Der Kaiser’ Beckenbauer, Günter Netzer en Wolfgang Overath. In de jaren tachtig werd de spoeling al dunner met Pierre Littbarski en Bernd Schuster. In de jaren negentig waren er nog Thomas Hässler en Jürgen Klinsmann. De rest had vooral Laufpensum. Hoofd opleidingen Fabian Wohlgemuth van VfL Wolfsburg: „We hebben nu vooral veel meer technische spelers. Vroeger moest je kunnen rennen, schieten en koppen. Nu kijken we veel meer naar wie het technische niveau heeft.”

Volgens Wohlgemuth is het niet typisch Duits dat spelers behalve techniek ook hun mentaliteit sterk ontwikkelen. „Onze opleiding verschilt niet zo veel van de Nederlandse. Mark van Bommel heeft ook een goede mentaliteit. Waarom het Duitse voetbal dan toch het Nederlandse overstijgt? Duitsland is vijf keer groter en heeft dus meer talenten. Alleen halen we er nu uit wat erin zit.”

Bij VfL Wolfsburg heeft de nadruk op techniek resultaat: het hoogste jeugdteam is weer onbedreigd kampioen van Noord-Duitsland geworden, ver boven ploegen als HSV en Werder Bremen. En trainer Dieter Hecking van het eerste elftal stelde in het voorbije seizoen geregeld vier spelers uit de eigen jeugd op.

De 24-jarige Tim Stegman traint vier keer per week de tien- en elfjarige jeugdspelers van Wolfsburg. De meesten zitten op de Eichendorffschule, een van de 29 Eliteschulen in Duitsland, gevestigd op vijf minuten van het trainingsveld. Vol ontzag spreekt Stegman de naam uit van Wiel Coerver, de in 2011 overleden Nederlandse trainer die naam maakte met zijn trainingsmethode. Zijn doel was spelers beter maken door hen eindeloos bepaalde oefeningen met de bal te laten herhalen. Precies wat Stegman bij VfL Wolfsburg doet met zijn pupillen. „Vijftig tot tachtig keer een oefening doen, en dan een spelvorm waarin ze die oefening kunnen inzetten op het veld.”

Ook de naam Van Gaal wordt met respect uitgesproken. In 2009 trad de huidige bondscoach van Oranje aan als Bayern-trainer. In strijd met de Duitse traditie introduceerde hij een 4-2-3-1-systeem, met buitenspelers Franck Ribéry en Arjen Robben. En, ook ongewoon: hij zette spelers uit de eigen jeugd in de basis. Van Gaal is misschien gek, zegt journalist Biermann. „Maar hij is wel een fantastische coach.”

Ondanks een landstitel en een finaleplaats in de Champions League werd Van Gaal in april 2011 ontslagen. Zijn werk is onderschat, vindt jeugdtrainer Stegman. „Zoals hij speelde, speelt Bayern nog steeds. De huidige trainer, Jupp Heynckes, heeft het systeem verder ontwikkeld. Van Gaal heeft het Duitse voetbal beïnvloed, en ook het nationale elftal beter gemaakt. Dat speelt ook 4-2-3-1 én combinatievoetbal met balbezit als uitgangspunt. In de Bundesliga zie je ook meer teams met vleugelspelers. In zekere zin heeft Van Gaal elk Duits team beïnvloed.”

Van de twee ploegen die in de finale staan, is Bayern favoriet. De club hoopt – na de verloren finales in 2010 en 2012 – voor het eerst in twaalf jaar weer de beste van Europa te zijn.

Het succes van de club is volgens Jonker, tussen 2009 en 2011 werkzaam bij Bayern, mede te danken aan een stevige basis van spelers uit de eigen omgeving. „In het succesvolle elftal van Ajax in de jaren zeventig speelden acht Amsterdammers, Barcelona is gebouwd op Catalanen en bij Manchester United speelden jarenlang jongens uit de eigen jeugd. Dat is toch altijd veel beter dan een team bij elkaar kopen. Xavi van Barcelona of Lahm van Bayern wil helemaal niet weg. Tegenwoordig hoef je ook nergens anders meer heen als je bij Bayern speelt. Je hebt de centen, het publiek en het niveau. Er is geen transfer die je nog hogerop brengt.”

Dortmund is een ander verhaal, denkt Jonker. „De vraag is hoelang zij het succes volhouden. Ik vrees dat ze het niet redden. Financieel blijft het een subtopper in Europa. Ze hebben niet de standing van Bayern, Barcelona of Manchester United. En ze verliezen hun beste spelers.”

Een kritiekpunt op de talentvolle lichting Duitsers is dat ze, in tegenstelling tot hun minder aantrekkelijk spelende voorgangers, nog geen internationale hoofdprijzen wonnen. Dit weekend staat hoe dan ook een Duitse ploeg vol jonge spelers met een grote beker in de handen.