Fossiele bladerdeegbakjes

Twee fossielen in één. Een grijze schelp komt van een oeroude mossel. De gaatjes erin zijn van een boorspons.

Een stuk oester met veel gaatjes van boorsponzen en één groot gat van een boormossel. Foto Jelle Reumer

Al eens oesters gegeten? Je moet er wel van houden. De oester is een schelpdier, een zacht dier dat leeft tussen de twee kleppen van zijn schelp. Bij de oester zijn die kleppen verschillend: er is een holle onderklep en een plattere bovenklep. Met behulp van een sterke spier houdt de oester zijn kleppen dicht.

Tegenwoordig eten de mensen meestal de Japanse oester. Deze soort werd een halve eeuw geleden populair omdat de inheemse ‘Zeeuwse platte’ oester bijna was uitgestorven. Je ziet platte oesters nog wel bij de viswinkel, maar ze zijn erg duur.

Op het strand daarentegen – op elk Nederlands strand – kun je veel platte oesters vinden, dat wil zeggen: de fossiele kleppen. Het zijn grijze schoteltjes of asbakjes, met een typische structuur die een beetje op bladerdeeg lijkt. Dat grijs in vele tinten is de kleur die veel fossiele schelpen hebben en waardoor je ze kunt onderscheiden van de witte niet-fossiele schelpen. Dus: grijze schoteltjes van keihard bladerdeeg. De oudste ‘Zeeuwse platte’ kunnen ongeveer vijf miljoen jaar oud zijn, maar de meeste zijn veel jonger.

Het leuke van oesters is dat er geen één hetzelfde is. Dat komt omdat ze hun vorm aanpassen aan de plek waar ze zitten. Maar het allerleukste van fossiele oesters is wel dat ze heel vaak zijn aangetast door boorsponzen. Sponzen zijn primitieve dieren die uit niet veel meer bestaan dan een holte met een zachte wand eromheen. Die wand bevat de cellen van de spons, en kan allerlei vormen en kleuren aannemen. Boorsponzen leven niet op, maar ín een harde ondergrond. Die ondergrond is meestal kalksteen, maar bij gebrek daaraan voldoet een schelp ook prima. Met behulp van zuur maakt de spons gangetjes in de kalk of de schelp. In die gangetjes woont het sponzenlijf. Als dat boren een tijdje doorgaat kunnen de gangetjes met elkaar in verbinding komen en ontstaat een heel labyrint van gangen en tunnels in de oesterklep. De oester zal er uiteindelijk wel aan doodgaan en, als hij geluk heeft, met gaatjes en al een fossiel worden.

Die mooie grijze oesters zijn dus eigenlijk twee fossielen in één: een fossiel van een schelpdier én een sporenfossiel van de boorspons. En heel soms heeft ook een boormossel (ook een schelpdier) nog een groot gat in de oester geboord. Dan zie je zelfs drie dieren in één fossiel.