Eerst geloven, dan zien

In de stationsrestauratie hebben we afgesproken. Een keurige heer arriveert precies op tijd. Met een grote boodschappentas. De inhoud ligt weldra op tafel: rechtbankverslagen en ook interne stukken van de gemeente, waar hij tientallen jaren als ambtenaar werkte. Ofschoon hij van zijn kritiek op de burgemeester nooit een geheim had gemaakt, was het een fijne baan geweest. Hij had er graag zijn pensioen gehaald. Toen kwam er een kink in de kabel. Op een dag moest hij bij de burgemeester komen. De burgemeester liet hem een anonieme brief zien die aan de gemeenteraad was verstuurd. In de brief werd het aanbestedingsbeleid van de gemeente corrupt genoemd. “En jij, jij hebt deze brief geschreven”, zei de burgemeester. Hij ontkende. Of hij dan – vroeg de burgemeester – bereid was om mee te doen aan een handschriftkundig onderzoek. Natuurlijk.

En zo ging hij naar een handschriftkundige, die hem een schrijfproef liet doen. De deskundige kwam ter plekke tot een conclusie: “U hebt de brief geschreven. Beken nu maar, want dan valt er misschien nog iets te regelen.” Hij bleef ontkennen. Hij werd op non-actief gesteld en er volgde een ontslagprocedure. Het ontslag werd door zijn advocaat aangevochten, maar de burgemeester beriep zich op het oordeel van de handschriftkundige. Zo’n oordeel wordt in Nederlandse rechtszalen serieus genomen.

Handschriftkundigen zelf mogen graag de parallel met DNA trekken. Net zoals DNA-sporen uniek zijn, zo is ook elk handschrift weer anders, zeggen ze. Het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen is het daarmee eens. Daarom worden handschriftkundigen in zijn bestand opgenomen. De doorsnee rechter zal daaruit concluderen dat het dus geen wichelroedelopers zijn.

Maar is elk handschrift wel zo uniek? Stel dat de verdachte ambtenaar de beginselen van het schrijven kreeg onderwezen door juffrouw Mieke. En dat juffrouw Mieke tamelijk dogmatisch was over bijvoorbeeld de ‘a’: dat het geen rondje, maar een ellips moest zijn, die rechtsonder eindigde in een strak lijntje van 90 graden naar boven. Lijkt de ‘a’ van de ambtenaar dan op die van zijn voormalige klasgenoten? Nee, zullen handschriftdeskundigen roepen. Maar er bestaat geen onderzoek dat hun gelijk bewijst.

Er is nog een dringender probleem met handschriftkunde. Het wordt door de Amerikaanse rechtspsycholoog Saul Kassin uiteengezet in het jongste nummer van de Journal of Applied Research in Memory and Cognition. Handschriftkundigen, zo schrijft Kassin, kennen bijna altijd de achtergrond van een zaak. Ze worden door hun opdrachtgever geïnformeerd. Ze weten wie de verdachte is. Deze – in feite irrelevante – achtergrondkennis heeft een beslissende invloed op hun oordeel.

In een experiment moesten experts een dreigbrief vergelijken met het schrift van een aantal auteurs. Oh ja, werd er bij verteld, die ene auteur is een vervelende vent met een strafblad. De experts signaleerden inderdaad volop overeenkomsten met zijn handschrift: hij was toch echt de auteur van het dreigbriefje. Als er geen informatie over de achtergrond van de auteurs werd verstrekt, kwamen de experts minder vaak tot deze slotsom. Het was dus een kwestie van eerst geloven en dan pas zien.

Maar volgens Kassin is er hoop voor handschriftkundigen. Als ze maar de regels van de wetenschap volgen. Dat betekent dat ze ‘blind’ meerdere handschriften met elkaar zouden moeten vergelijken. In de zaak van de ambtenaar zou je aan de deskundige het anonieme briefje moeten geven en geschreven teksten van de ambtenaar, maar ook van allerlei andere auteurs. De deskundige zou niet mogen weten waar het allemaal om draait. Als hij dan toch sterke overeenkomsten zou signaleren tussen de anonieme brief en de handgeschreven teksten van de ambtenaar: ja, dan is er wat loos. Maar de deskundige kan ook zakken voor de test. Namelijk dan als hij de dreigbrief toeschrijft aan een auteur die het nooit kan zijn geweest.

Zo’n blinde test waarvoor je kunt zakken is de enige juiste. Niet alleen voor handschriftkundigen trouwens, maar voor alle forensische experts die zich voor hun oordeel moeten verlaten op visuele inspectie van het bewijs. Denk aan vingerafdrukken, schoenafdrukken, gebitten, kogels en verf. De afleveringen van CSI wekken de indruk dat hightech virtuozen loepzuivere oordelen vellen over dit soort bewijs. Wetenschappers weten ondertussen wel beter. In de databestanden over gerechtelijke dwalingen duiken forensische experts verontrustend vaak op met conclusies die achteraf faliekant fout bleken.

Het laatste papiertje dat de ex-ambtenaar in de stationsrestauratie liet zien, was een ondertekende klaagbrief van een burger aan de welstandscommissie. Hij had de brief pas veel later via een collega in handen gekregen. Kijk toch, er waren frappante overeenkomsten tussen de klacht en de anonieme brief aan de gemeenteraad. Ik keek en zag ze ook. Hadden deze burger en de ex-ambtenaar alle twee bij juffrouw Mieke in de klas gezeten? Of was dit ook weer een gevalletje eerst-geloven-en-dan-zien? Alleen blind testen biedt uitkomst. Maar niet meer voor deze ex-ambtenaar. Hij ging wegens verstoorde werkrelaties met vervroegd pensioen en sprak zich bij zijn afscheid ten stadhuize zelf toe.