Een anti-utopie

Steeds meer mensen komen in deze eeuw tot de overtuiging dat de geordende wereld bezig is zichzelf op te heffen. Dat zal honderd jaar geleden ook wel het geval zijn geweest, en in 1940, toen de Tweede Wereldoorlog pas goed begon. Maar op dit gebied hebben we niets aan vergelijkingen met het verleden. Het gaat alleen om wat ons zelf overkomt. Een economische crisis waarvoor niemand een oplossing weet, een volk dat onder toezicht van de televisie al twee jaar bezig is zichzelf uit te moorden, nationale gruweldaden, opwarming van de aarde, nog het een en ander, en dit alles door de media breed uitgemeten. En als we het dagelijks nieuws over al die rampen goed op ons hebben laten inwerken, gaan we aan de sport, de fun, het entertainment. We hebben het Centraal Plan Bureau, iedere overheidsinstelling werkt aan nieuwe projecten, iedere multinational maakt zijn prognoses, maar nu gaat het om de ‘gewone mensen’. Willen die nog werkelijk weten wat er ‘naar alle waarschijnlijkheid’ morgen, het volgend jaar met stad en wereld zal gebeuren? Of gaan ze iedere avond verzadigd van de dagelijkse ellende en fun naar bed?

Soms denk ik dat we een crisis van de voorspellers beleven. Als ik destijds door een kinderziekte was getroffen – mazelen, rode hond – werd ik in bed gestopt en zoet gehouden met een ingebonden jaargang van Het Stuiversblad uit het begin van de vorige eeuw en vier jaargangen De Prins der Geïllustreerde Bladen, 1914-1918. Leerzaam. De redactie van Het Stuiversblad dacht dat er een tijd zou aanbreken waarin iedereen zijn eigen vliegtuig had. Op een tekening was te zien hoe het boven een grote stad wemelde van de tweedekkertjes. De Prins had iedere week fotoreportages van de slagvelden, aan puin geschoten steden, gesneuvelde soldaten in de loopgraven. Fascinerende gruwelen die voorgoed voorbij waren. Af en toe kwam er een waarzegster aan de deur die je hand kon lezen. Hoe lang je levenslijn was, enzovoort. Op de kermis had je een speciale tent waar koffiedik werd gekeken. Wij deden er thuis niet aan.

Een paar jaar later heb ik Het verstoorde mierennest van Kees van Bruggen gelezen. De aarde komt terecht in de giftige staart van een komeet. Vrijwel de hele mensheid sterft. Diep onder de grond wordt een mijnwerker, Jonathan, gespaard. Hij klimt langs de staalkabel van een lift naar het daglicht, zwerft door de straten vol doden en treft dan een meisje dat het er levend heeft afgebracht omdat ze in een ziekenhuis onder narcose was toen het onheil zich voltrok. Samen redden ze de mensheid.

Dan komt de klassieke literatuur over de toekomst, Brave New World van Aldous Huxley, een totalitaire verzorgingsstaat waarin de burgerij met een narcoticum, soma, onder de duim wordt gehouden. En in 1948 verschijnt George Orwell’s 1984, tot dusver de klassieke anti-utopie. Niet iedereen weet dat de Brit een voorloper heeft, de Russische schrijver Jevgenii Zamjatin, van wie in 1920 het boek Wij is verschenen. Big Brother heet bij hem De Grote Weldoener, er is ook een denkpolitie, en een muziekmachine. Bij Orwell worden ongewenste elementen gevaporiseerd, bij Zamjatin worden ze in een plasje ‘chemisch zuiver water’ veranderd. Ook bedienen de personages zich van een soort newspeak.

Huxley, Orwell en Zamjatin zijn politiek-sociologische anti-utopisten; geen schrijvers van sciencefiction. Voor dat genre moeten we bij H.G. Wells, The War of the Worlds zijn. Daarmee is hij tot een van de grondleggers van de sciencefiction geworden, het soort waarin eigenaardige mannetjes van een andere planeet hier landen waarna de hoofdman van dit gezelschap tegen de aardse held zegt: „Take me to your leader”. Sinds de televisie en de andere visuele media tot hun enorme ontwikkeling zijn gekomen, is dit genre niet meer te vermijden. Iedere avond zie je wel ergens gepantserde krompoten, gehoornde mensachtigen, zwaargewapende gedrochten die het op ons voorzien hebben. Dappere jongens en mooie meisjes leveren verschrikkelijke gevechten en we worden gered. Ik geef toe dat dit een gebrekkige beschrijving is, maar ik ben er geen liefhebber van.

Hoe zouden we ons nu een anti-utopie volgens de methode Orwell moeten voorstellen? In iedere voorspelling van dit genre worden de meest geprononceerde ontwikkelingen van het heden nog krachtiger doorgetrokken. Wat hebben we nu bijvoorbeeld? De oppermacht van internet. Big Brother ziet en hoort meer dan Orwell had kunnen dromen, maar het maakt geen indruk. Als het zo uitkomt is de nieuwe burger bereid hem totaal in elkaar te slaan. Of eens op hem te schieten met een pistool dat hij via 3D-printen zelf gemaakt heeft. Intussen proberen aan de andere kant van de wereld uit naam van een opperwezen duizenden bezetenen elkaar te vermoorden en dat lukt aardig. Iedere dag totale chaos, maar het kan nog erger. Maak daar eens een begrijpelijk verhaal van.