Brieven

Onsterfelijke cellen (3)

Het artikel ‘Een mensencel is vogelvrij’ (wetenschapsbijlage, 27 & 28 april) is opgebouwd rond de discussie over de rechtmatigheid van het gebruik van lichaamsmateriaal van patiënten. Journalist Lucas Brouwers signaleert dat in Nederland amper wetgeving bestaat die de opslag en het gebruik van lichaamsmateriaal regelt.

In ons land bestaat een hoge mate van bereidwilligheid om mee te doen aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. Patiënten hebben daar meerdere redenen voor: door deelname krijgen zij toegang tot de nieuwste therapievormen, follow-up van de ziekte is grondig en uitgebreid, zij dragen bij aan de vooruitgang van de medische wetenschap en zorgen voor kennis waarvan patiënten met dezelfde aandoening voordeel kunnen hebben. Ook gezonde vrijwilligers nemen aan onderzoek deel.

Sinds 1999 moet, voordat een onderzoek kan worden gestart, toestemming worden verkregen van een door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) erkende medisch-ethische toetsingscommissie (METC). Deze onafhankelijke commissie beoordeelt of de risico’s en belasting van proefpersonen en de vooruitgang van de medische wetenschap in balans zijn. Ook wordt een oordeel uitgesproken over de kwaliteit van de proefpersoneninformatie, en opzet en doel van het onderzoek.

Vaak stelt de onderzoeker voor om extra lichaamsmateriaal zoals bloed, urine of weefsel, af te nemen voor toekomstig onderzoek. Dit is een handeling die door een METC moet worden beoordeeld onder het regime van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO). In het geval van toekomstig onderzoek is dit echter niet mogelijk, omdat hier nog geen concreet en uitgewerkt onderzoeksplan bestaat.

Ook is vaak onduidelijk wie toegang heeft tot het materiaal, welke onderzoeken ermee (zullen) worden uitgevoerd en waar de verantwoordelijkheden liggen voor bewaartermijnen en -condities. Erkende METC’s kunnen daardoor slechts een advies uitbrengen aan onderzoekers als ze deze vraag voorgelegd krijgen.

De CCMO onderstreept het belang van een passende regeling voor het verzamelen, bewaren en gebruiken van lichaamsmateriaal, en de toetsing ervan in het kader van voorgenomen onderzoek. Het belang van proefpersonen is op dit moment onvoldoende geborgd in een wettelijk kader. De CCMO zou de komst van een Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl) dan ook verwelkomen.

Prof. dr. G.H. Koëter

voorzitter Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

Onsterfelijke cellen (4)

In 2011 werkte het ministerie van VWS nog steeds (sinds 1997 al) aan een Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (WZL). Na verschijning van de 2de Federa Gedragscode Goed Gebruik in 2001 (een herziene Gedragscode kwam in 2011) verscheen in 2011 het zoveelste voorontwerp dat aan vele organisaties werd toegezonden. In juni 2012 schreef de minister aan de Tweede Kamer dat men zich, gezien de ‘sterk tegenstrijdige reacties’, op de WZL beraadde, ook of zo’n WZL er überhaupt nog moest komen. Het ‘sterk tegenstrijdige’ verbaasde ons, gezien de overeenstemming in het veld en de brede verspreiding van de Gedragscode. De met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur opgevraagde reacties bleken op één uitzondering na (die van een commerciële biobank) alle naar de Gedragscode te verwijzen. Men was verbaasd dat het, inderdaad zeer gecompliceerde, voorontwerp WZL hierop niet aansloot. De Tweede Kamer werd met de opmerking ‘sterk tegenstrijdige reacties’ en het niet noemen van de Federa Code dus, niet voor het eerst in dit slepende dossier, onjuist voorgelicht. NRC-lezers kunnen zich vergewissen op www.federa.org/code-goed-gebruik-van-lichaamsmateriaal-2011.

Prof. J.W. Coebergh

oud-voorzitter van de FEDERA en eindredacteur van de Code Goed Gebruik

Landbouwgif (2)

Vijverberg en Blaauboer memoreren in hun op 11 mei geplaatste brief (naar aanleiding van het artikel ‘Waterleven lijdt onder landbouwgif’, wetenschapspagina, 2 mei) niet dat imidacloprid werd gevonden in 89 procent van watermonsters die werden genomen in agrarische gebieden van Californië. In 19 procent van de monsters werd de maximaal toegestane concentratie van 1,05 microgram per liter, zoals vastgesteld door Environmental Protection Agency (EPA), overschreden. In Nederland kwam imidacloprid in meetbare hoeveelheden voor in 30 procent van de 4.852 watermonsters die door Waterschappen werden verzameld tussen 1998 en 2007. Deze cijfers geven aan dat er inmiddels een wijdverbreide besmetting is van het oppervlaktewater met zeer langzaam afbreekbare (persistente) systemische insecticiden. Het eerste gevolg van deze besmetting is de geleidelijke vermindering, en mogelijk het verdwijnen van hele populaties van aquatische geleedpotigen in de getroffen gebieden. Omdat deze organismen bovendien een primaire bron van voedsel voor een groot aantal soorten van gewervelde dieren zijn (bijvoorbeeld vissen, kikkers en vogels), zal de uitputting van hun belangrijkste voedselbron onvermijdelijk indirecte effecten hebben op deze dierlijke populaties. Het geval van de patrijs (Perdix perdix) in Engeland is een voorbeeld van hoe een combinatie van herbiciden en insecticiden indirect de ondergang van een soort kan veroorzaken door de teloorgang van onmisbare voedselbronnen. Daarom zijn waarschuwingen over de mogelijke rol van milieuverontreiniging met neonicotinoïden bij de sterk dalende populaties van vogels, kikkers, egels en andere insectenetende dieren niet vergezocht en moeten ze serieus worden genomen.

Dr. ir. Henk Tennekes

Consultant in toxicology, Zutphen

Lieveheersbeestjes

Bij het artikel ‘Een dodelijk wapen in hun schild ’ (wetenschapspagina, 21 mei) staat een grote foto van lieveheersbeestjes met in het onderschrift: ‘De invasieve veelkleurige Aziatische lieveheersbeestjes...’ De kevers op de foto zijn echter geen veelkleurige Aziatische lieveheersbeestjes (Harmonia axyridis). Volgens mij zijn het Noord-Amerikaanse lieveheersbeestjes van de soort Hippodamia convergens.

Caroline Elfferich

Pijnacker

Naschrift redactie:

Bij het artikel was inderdaad een kluwen Noord-Amerikaanse Hippodamia convergens-kevers afgebeeld. Die overwinteren, net als het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje, op een kluitje, laat lieveheersbeestjesonderzoeker Lidwien Raak-van den Berg weten. Op deze pagina staat een foto van twee parende veelkleurige Aziatische lieveheersbeestjes – de soort waar het in het artikel om ging.