Boeddhistische monniken in Birma wakkeren onrust aan

Tot 2010 vreesde de bevolking van Birma het brute leger. Nu zijn de Birmezen bang voor elkaar. Radicale boeddhistische monniken hebben het op de moslimminderheid gemunt. „Moslims ondermijnen de nationale identiteit.”

De vlammen van wraak zijn gedoofd in Okkan, maar de haat is niet geluwd. Op de laatste dag van april gaat het mis in het Birmese stadje, honderd kilometer ten noorden van Rangoon. Op de markt botst een islamitische vrouw rond negen uur ’s ochtends tegen een boeddhistische monnik op. De offerschaal van de monnik valt en breekt in stukken. De vrouw weigert haar excuses aan te bieden.

Aan het einde van de middag vormt zich een knokploeg. Winkels van islamitische eigenaren worden vernield en geplunderd. De menigte, volgens ooggetuigen vierhonderd man sterk, trekt naar vier gehuchten een paar kilometer buiten het stadje waar de moslims wonen. De groep steekt honderdvijftig huizen in brand. Tegelijkertijd worden moslims in het centrum van Okkan opgejaagd en in elkaar geslagen. Met kapmessen wordt op hen ingeslagen. Eén moslim, een man in de dertig, overlijdt aan zijn verwondingen.

Een week na het geweld zijn de dorpsbewoners bang. Onder een zeil in de schaduw proberen ze te ontsnappen aan de meedogenloze hitte. Alles en iedereen, van de dorre rijstvelden tot de koeien met hun ingevallen ribbenkasten, snakken naar de moessonregens die eind deze maand arriveren. Tot die tijd is het heet, en vooral stoffig. Door de felle zon lijkt het alsof de verkoolde draagbalken, potten, pannen, fietsen en ander huisraad nagloeien van het vuur. „Ik vrees iedere avond dat ze terugkomen om ons meer pijn te doen. Maar ik heb geen plek om te vluchten”, zegt Ahar Bi, een 54-jarige lerares die in een van de afgebrande dorpen woont. „Moslims en boeddhisten hebben hier decennialang in vrede geleefd. Wij waren vrienden. Ik snap niet waarom de boeddhisten ons haten.”

Het geweld in Okkan is exemplarisch voor de problemen waar Birma voor staat. In drie jaar tijd is er veel veranderd in Birma. Het repressieve militaire regime is vervangen door een burgerregering die vooral bestaat uit oud-generaals, maar wel zegt mensenrechten en vrijheden te respecteren. Na decennia van isolement gloort er hoop voor de zestig miljoen Birmezen.

De Europese en Amerikaanse handelssancties zijn, behalve het wapenembargo, zo goed als opgeheven. Deze week mocht Thein Sein als eerste Birmese president in ruim veertig jaar naar Washington voor een ontmoeting met Barack Obama, wellicht de duidelijkste bevestiging tot nu toe dat Birma niet langer een pariastaat is. Obama prees Thein Sein voor de vooruitgang die is geboekt, maar riep de oud-generaal ook op er zorg voor te dragen dat het geweld tussen boeddhisten en moslims ophoudt.

Tot 2011 vreesde de bevolking van Birma het brute leger, dat met harde hand heerste en met geweld de studentenopstand in 1988 en de saffraanrevolutie in 2007 neersloeg. Nu zijn de Birmezen bang voor elkaar. Moslims vrezen het geweld van boeddhisten. En boeddhisten vrezen in hun eigen land overrompeld te worden door de, in hun ogen, groeiende islamitische bevolking.

In de slaapkamer van een nieuwbouwhuis aan de rafelrand van Rangoon ligt Wirathu bij te komen van de lange autorit vanaf zijn klooster in Mandalay. Eenmaal wakker maant de boeddhistische monnik het bezoek plaats te nemen aan het voeteneind van zijn bed. In kleermakerszit, met een kaarsrechte rug, zijn geschoren hoofd en rode robe over zijn schouder gedrapeerd, straalt Wirathu de sereniteit uit die het boeddhisme zo aantrekkelijk maakt voor miljoenen.

Met warme ogen en een zachte stem vertelt de 45-jarige monnik wat er volgens hem aan Birma schort. „Wij willen in harmonie leven en zoeken werkelijke vrede. Wij willen samenwerken met de islamitische leiders. Helaas zijn zij te bang en laten ze zich beïnvloeden door extremistische gedachten. Natuurlijk hebben wij, als boeddhisten, het recht onszelf en ons gedachtegoed te verdedigen.” Wirathu is de leider van de 969-beweging. De cijfers vormen een symbool – Birmezen zijn verslaafd aan numerologie – voor de negen unieke kenmerken van Boeddha, de zes eigenschappen van zijn gedachtegoed en de negen kenmerken van de monastieke orde.

Het is onduidelijk hoe groot de Birmese steun is voor de radicale monniken. 969-stickers en posters rukken op, ook dat is het gevolg van grotere politieke vrijheid in Birma. Op lantaarnpalen in Rangoon. Bij benzinepompen op het platteland.

Wirathu zegt tegen aanvallen op moslims te zijn. „Helaas zijn wij genoodzaakt ons te weren. Weet je dat nergens in de Koran staat dat moslims hun snorren en baarden moeten laten staan? Dat zijn leugens. Ze doen het voor hun sexappeal. Moslims willen Birmese vrouwen bezwangeren en zo de overhand krijgen in onze maatschappij. Dat moeten wij voorkomen, voordat het te laat is, zoals in Rakhine.”

Vorig jaar jaar vielen bij geweld tussen islamitische Rohingya’s en leden van de boeddhistische Rakhine- minderheid circa tweehonderd doden. Human Rights Watch noemt de wijze van uitmoorden van Rohingya’s een vorm van etnische zuivering. Tienduizenden vluchtelingen zitten nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden in vluchtelingenkampen. Duizenden Rohingya’s proberen met gammele bootjes te vluchten. Honderden zijn daarbij verdronken. Volgens monnik Wirathu is het een verkeerd beeld de Rohingya’s te zien als slachtoffers. „Een gevolg van de pro-islamitische houding van sommige internationale media”, zegt hij. „De moslims hebben in Rakhine in twee dorpen de sharia ingevoerd en ze zijn grootgrondbezitter. Met de islam heb ik geen probleem, wel met dit soort moslims. Ze domineren de economie en verbergen wapens in hun moskeeën.”

Mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch betogen dat iedere keer dat geweld wordt gedoogd, de kans op grotere anti-islamitische rellen toeneemt. Wat begon als een conflict tussen twee etnische groepen in Rakhine, een afgelegen provincie die door bergen van de rest van Birma is gescheiden, heeft zich uitgebreid tot onlusten op honderd kilometer van miljoenenstad Rangoon.

In een van de afgebrande nederzettingen rond Okkan aanschouwt politiebrigadier Syu Myint hoe tien van zijn mannen hun karabijnen onderhouden. Ze dopen een doek in olie en halen die door de loop van het geweer. Een jongen ordent gehurkt de glimmende patronen in een plastic bakje. De eenheid is een dag eerder, ruim een week na het eerste geweld, overgekomen uit een nabijgelegen stad. „De lokale politie-eenheid was te klein om de demonstranten tegen te houden”, zegt Syu Myint. Hij trekt de klep van zijn politiepet wat dieper over zijn ogen. „Nu zullen wij de burgers beschermen. Gisteravond kwam er weer een groep hier naartoe. Na drie waarschuwingsschoten vertrokken ze weer.”

Brigadier Syu Myint mag zich dan van zijn meest onverschrokken kant tonen, een veel gehoorde klacht van Birmese moslims is dat noch de politie, noch het leger, noch de regering een vinger uitsteekt om hen te helpen en te beschermen. Vorige maand kreeg de BBC een video in bezit, opgenomen door de politie zelf tijdens de moordpartijen in Meikthila, gelegen tussen Rangoon en Mandalay, in maart. Er is te zien hoe een groep mannen met stokken en kapmessen inhakt op een groep moslims die hun brandende dorp proberen te ontvluchten. Vanaf hoger gelegen terrein kijkt de politie toe en doet niks. Ook bij het geweld in de provincie Rakhine greep de politie niet in.

President Thein Sein liet de oorzaken van het geweld in de provincie Rakhine onderzoeken door een speciaal ingestelde commissie. Eind april deed de commissie haar aanbevelingen. De politie- en legermacht in Rakhine moet verdubbeld worden. Er moet voor gezorgd worden dat etnische moslims en boeddhisten gescheiden van elkaar leven. Er moet nagedacht worden over geboortebeperking onder de islamitische bevolkingen. Hoe harder ze groeit, hoe hoger de problemen zullen oplopen, redeneerde de commissie.

De onderzoekscommissie had weinig begrip voor de islamitische Rohingya’s. In de geest van het meer democratische Birma werden ook voormalige leiders van de studentenbeweging opgenomen in de commissie. Zij leidden in 1988 de demonstraties in de straten van Rangoon en eisten democratie en bescherming van mensenrechten, totdat het leger ingreep. De studentenleiders belandden tientallen jaren in de gevangenis. Toch nemen ook zij het nauwelijks op voor de rechten van de islamitische minderheid.

Ko Ko Gyi (51) was één van de studentenleiders die voor zijn rol in de vrijheidsbeweging van 1991 tot 2005 en van 2007 tot 2012 in de gevangenis zat. Negentien jaar zat hij onder erbarmelijke omstandigheden vast, omdat hij geloofde in democratie en mensenrechten. Dat betekent niet dat hij begrip heeft voor het lot van de Rohingya’s, die volgens de VN-vluchtelingenorganisatie tot de meest vervolgde minderheden ter wereld behoren.

Om te beginnen vindt Ko Ko Gyi dat de islamitische minderheid in de provincie Rakhine niet in Birma thuishoort. Hij noemt ze daarom liever niet Rohingya’s („een verzinsel van mensenrechtenorganisaties’’) maar islamitische Bengalen. Hij wijst op de demonstraties van vorig jaar. Toen scandeerden de Rohingya’s ‘Leve Pakistan, Leve Pakistan’. Voor Ko Ko Gyi is dat het bewijs dat deze moslims indringers zijn. Van 1947 tot 1971 hoorde Bangladesh bij Pakistan. Dat de Rohinyga’s nu terugvallen op die oude naam betekent voor de oud-studentenleider dat de moslims een enorm islamitische rijk in Zuid-Azië willen stichten. „Als je zoiets roept, ben je toch geen Birmees”, zegt Ko Ko Gyi.

De redenering van voormalig studentenactivist Ko Ko Gyi is in wezen dezelfde als die van Wirathu, de radicale monnik: het geweld bedreigt de stabiliteit in Birma, maar is vooral de schuld van de moslims zelf. Het moet voorkomen worden dat de groeiende islamitische bevolking de overhand krijgt in het boeddhistische Birma.

Ko Ko Gyi: „De internationale gemeenschap vraagt altijd waarom wij moeilijk doen. Per slot van rekening is slechts 4 procent van de bevolking moslim. Dat is onzin. Als gevolg van het militaire bewind heeft Birma al decennia geen fatsoenlijk bevolkingsonderzoek gedaan. Ik weet zeker dat het percentage moslims minimaal 20 procent is. Dat zou geen probleem zijn als ze islamitisch en Birmees zijn. Maar dat zijn ze niet. Ze zijn anders en ondermijnen de nationale identiteit die al duizenden jaren bestaat.” Voor de westerse journalist is het moeilijk te ontwaren hoe de Birmese moslims anders zijn. Ze laten inderdaad hun vlasbaardjes staan, maar ze dragen dezelfde longyi’s – wikkeldoeken – ze hebben dezelfde rode tanden van het kauwen van betelnoot en de vrouwen smeren dezelfde pulp van Tanaka-hout op hun gezicht als crème.

Ko Ko Gyi toont zich zeer nationalistisch. „Ik ben zelf slachtoffer van mensenrechtenschendingen. Maar het veilig stellen van de nationale veiligheid is ook een recht. Wij hebben het recht ons te verdedigen tegen invloeden van buiten”, zegt Ko Ko Gyi. Dat generaal en dictator Ne Win in 1988 op bijna dezelfde grond, nationale veiligheid, duizenden demonstranten vermoordde en een hele generatie intellectuelen in de gevangenis liet rotten, lijkt aan Ko Ko Gyi voorbij te gaan.

Er lijkt in heel Birma maar één persoon die de gemoederen kan bedaren: oppositieleider en Nobelprijswinnaar Aung San Suu Kyi. In elk dorp, hoe afgelegen ook, in iedere eettent, in elk huis hangt haar foto. Als zij spreekt, luisteren Birmezen. Maar vooralsnog zwijgt ze over het geweld tussen moslims en boeddhisten.

Volgens Mya Aye is de afwezigheid van Aung San Suu Kyi een slechte zaak. Net als andere studentenleiders zat Mya Aye jarenlang in de gevangenis. Maar in tegenstelling tot zijn strijdmakkers is hij moslim. Als Birma in 2015 naar de stembus gaat, is het van groot belang dat de bevolking weet wat een multiculturele samenleving is, zegt Mya Aye. „Dat moet wel, gezien de samenstelling van ons land. Daar moet de bevolking respect voor hebben en mee om leren gaan”, zegt hij. Het is een belangrijke taak voor Aung San Suu Kyi, beaamt hij.

Mya Aye snapt wel waarom zij zwijgt. Het is geen gemakkelijke tijd. „We zijn verder dan twee jaar geleden, maar we moeten nog een heel eind. Om het evenwicht te bewaren kan ze soms onderwerpen niet aansnijden, terwijl ze dat wel zou willen. Niks mag de democratisering in gevaar brengen”, zegt hij. Mya Aye steekt de zoveelste sigaret op en kijkt schichtig om zich heen. Aan de muur van zijn appartement in Rangoon pronkt een grote poster van de Blauwe Moskee in Istanbul.

Ondanks haar imago als onkreukbare en onvermurwbare vrijheidsstrijder in het Westen, is Aung San Suu Kyi gewend om belangen zorgvuldig te wegen. In haar eerste grote toespraak in 1988 voor de gouden Shwedagonpagode in Rangoon had ze aan de generaals haar woord gegeven hen niet met naam te zullen noemen en beledigen. In ruil beloofde het regime de menigte niet aan te vallen. Toch worstelen gematigden als Mya Aye met de vraag of de weg van de geleidelijkheid hier de juiste keuze is. Hij neemt een haal van zijn sigaret en zegt: „De weg naar 2015 is lang. Er kan te veel gebeuren. Als wij niet oppassen dan eindigen wij als Bosnië aan de Golf van Bengalen.”