Als ouders elkaar de tent uitvechten

Het aantal vechtscheidingen, waarbij kinderen inzet worden van ruzies tussen ouders, neemt toe. Vaak betreft het hoger opgeleide, verbaal sterke ouders. Jeugdzorg worstelt met haar rol. „Gezinsvoogden hebben moeite hun neutraliteit te bewaren, door de partijdige insteek van de ouders.”

De vrouw van Pieter (57), van wie hij sinds 2010 bezig is te scheiden, heeft een paar keer aangifte tegen hem gedaan. Onder meer wegens stalking en agressie. Een politieman zei Pieter dat hij zich er niet druk over hoefde te maken, hij doorzag wel hoe het zat. Die politieman belde hij later weleens op, als hij het niet meer zag zitten. „Je kunt nergens terecht als man in een vechtscheiding, als je bijvoorbeeld weer een brief krijgt van de advocaat van je vrouw waarin je helemaal onderuit geschopt wordt. Hij kalmeerde me dan: ‘Joh, je moet blij zijn dat je je kinderen ziet.’” De rechter wees de kinderen (nu 16 en 18) eerst toe aan zijn vrouw, met een omgangsregeling voor hem, maar ze kozen er later zelf voor weer bij hem te gaan wonen.

Het aantal vechtscheidingen, waarbij kinderen inzet worden van ruzies tussen ouders, neemt toe. Een ontwikkeling waar Jeugdzorg Nederland zich grote zorgen over maakt, zei vicevoorzitter Jan-Dirk Sprokkereef vrijdag in deze krant. De Raad voor de Kinderbescherming deed vorig jaar 5.249 keer onderzoek naar een problematische echtscheiding, tegen 4.800 keer in 2011 en 4.867 keer in 2010. Ook de broertjes Ruben en Julian, begin deze maand om het leven gebracht door hun vader, verkeerden in zo’n situatie. Hun vader dreigde zijn co-ouderschap te verliezen.

Dat een scheiding zo tragisch eindigt als bij hen, gebeurt zelden. Maar de situatie die eraan voorafging is niet uniek, blijkt alleen al uit de vele reacties die deze krant ontving van al jaren in een scheiding verstrikte ouders. Vechtscheidingen zijn een tijd- en geldverslindend maatschappelijk probleem, voor zowel de jeugdzorg en rechters als voor ouders en kinderen.

Naar schatting raken 70.000 thuiswonende kinderen jaarlijks betrokken bij een scheiding. Sinds 1998 houden ex-partners gezamenlijk het gezag over de kinderen. Sinds 2009 moeten zij samen een ouderschapsplan indienen. Veruit de meeste ouders slagen erin goede afspraken te maken. Ongeveer 75 procent van de kinderen gaat bij de moeder wonen, 20 procent woont afwisselend bij de moeder en de vader in een co-ouderschap.

Als de ouders goed met elkaar kunnen praten is co-ouderschap voor de kinderen het beste, zegt de Groningse kinderrechter Dia Flinterman, lid van de landelijke Expertgroep Jeugdrechters. Maar als de ouders nog allerlei rechtszaken hebben lopen en voortdurend ruziemaken, dan niet. „Als wij inschatten dat het co-ouderschap veel onrust geeft, leggen we een regeling op die meer in het belang van het kind is.” Het ouderschapsplan kan onderdeel worden van de strijd tussen ouders, zegt Petra Slingenberg, echtscheidingsadvocaat en mediator. „Dan zien ouders het in termen van winnen of verliezen. Vaders met drukke banen bijvoorbeeld, die in de omgangsregeling 34 procent van de tijd krijgen en de resterende 16 procent toch ergens willen inhalen, want ze hebben recht op de helft. Terwijl ze dat niet kunnen waarmaken.”

De meeste scheidingen zijn een privézaak. Alleen als rechters constateren dat ouders niet met elkaar communiceren, of als grote kinderen bijvoorbeeld weer gaan bedplassen, of als er meldingen zijn bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, raakt de jeugdzorg betrokken. Als Bureau Jeugdzorg vermoedt dat de kinderen risico’s lopen, volgt een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Die kan de rechter adviseren hen onder toezicht te stellen. Wanneer dat gebeurt, doet de overheid haar intrede in het proces: een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg krijgt (mede) het gezag over de kinderen.

Ondernemer Pieter – hij wil zijn achternaam liever niet in de krant – maakte dat mee. Hij zag er verschrikkelijk tegenop. „Bij een scheiding zijn er al zoveel mensen die zich ermee bemoeien.” In zijn geval kwamen er twee „dames van Jeugdzorg”. De een voerde om de paar weken een gesprek met beide ouders, de ander sprak regelmatig met hun zoon. Toen Pieter de gesprekken met zijn vrouw wilde staken omdat hij ze onaangenaam vond, ging Jeugdzorg akkoord omdat het beter ging met de zoon. Achteraf vindt Pieter de bemoeienis positief. „Ze hadden verstand van zaken. Hoe een kind in elkaar zit, hoe de thuissituatie moet zijn. Ze hebben dat goed onderzocht.”

Hoe langdurig de jeugdzorg soms worstelt met een vechtscheiding, blijkt uit het dossier van een zaak in Zuid-Holland. De ouders zijn in 2007 gescheiden, er was ook sprake van huiselijk geweld. De kinderen, 10 en 12 jaar, hebben er veel last van. Een van hen heeft woede-uitbarstingen. Beide ouders zeggen alleen te denken in het belang van de kinderen, maar de Raad voor de Kinderbescherming schrijft: „Beide ouders lijken vooral uit eigenbelang te reageren en verliezen het belang, de behoefte en de veiligheid van de kinderen uit het oog.”

Vanaf 2008 is Bureau Jeugdzorg betrokken. Er komt bemiddeling om de communicatie te verbeteren en begeleiding om een ouderschapsplan te realiseren. In de jaren erna volgen intensieve gezinsbegeleiding, coachingsgesprekken, mediation en een convenant tussen de ouders. Begin 2012 stelt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in omdat de ouders zich niet aan het ouderschapsplan houden. Conclusie van een groot zorgoverleg tussen alle betrokken instanties, de ‘één gezin, één plan-bijeenkomst’: „Het maken van afspraken is niet mogelijk”.

Eind 2012, vijf jaar na de scheiding, schakelt Bureau Jeugdzorg opnieuw de Raad voor de Kinderbescherming in. Volgens Bureau Jeugdzorg moeten de kinderen onder toezicht gesteld worden, van een gezinsvoogd die maatregelen kan opleggen. „Beide ouders wensen van Bureau Jeugdzorg een sturende en beslissende rol.” Zonder dwang mist de casemanager „de beslissingsbevoegdheid om echte knopen door te hakken en voor de belangen van de kinderen op te komen”, aldus de analyse van Jeugdzorg.

Bij vechtscheidingen gaat het relatief vaak om hoger opgeleide en verbaal goede onderlegde ouders, zegt directeur Erik Gerritsen van Bureau Jeugdzorg Amsterdam. Mensen met geld, met advocaten. Voor Jeugdzorg is het zwaar werk, zegt hij. „Je zit in een klein kamertje met twee ouders en twee advocaten en ze gaan gewoon ruzie zitten maken. Welles-nietes, heftig schreeuwen.”

De vraag is of Bureau Jeugdzorg hier wel op is toegerust. Kan Jeugdzorg goed beoordelen of een kind in een gezin gevaar loopt? Kan Jeugdzorg, bijvoorbeeld, inschatten of kinderen bij de ene ouder minder veilig zijn dan bij de ander, bijvoorbeeld omdat een ouder aan een stoornis lijdt?

Een hoger opgeleide man, Hans van der Heijden, beschreef deze week in de Volkskrant zijn ervaringen met een huisbezoek van twee medewerkers van Bureau Jeugdzorg, enkele jaren geleden. Het verbaasde hem hoe makkelijk het was hen om de tuin te leiden. Van der Heijden vraagt zich af op welk moment gezinsproblemen een taak voor de staat worden. „En dan is de vraag: hoe operationaliseer je dat? Als je ziet hoe het feitelijk gaat, is het nogal afhankelijk van de kwaliteit van de mensen die het doen. Wij zullen niet het eerste gezin zijn geweest dat Jeugdzorg met een kluitje in het riet stuurde.”

Ook de Nationale Ombudsman en de Kinderombudsman hebben de indruk dat het effect van de bemoeienis van Jeugdzorg sterk afhangt van „professionaliteit en competenties van gezinsvoogden”, schreven ze eind vorig jaar in een rapport naar aanleiding van klachten over Bureau Jeugdzorg. Ze concludeerden dat een gezinsvoogd „in veel gevallen als niet neutraal” kan overkomen, „gelet op de partijdige insteek van de ouders zelf”. „Het blijkt dat de betrokken instanties de wens van het (oudere) kind om geen omgang te willen met de uitwonende ouder veelal respecteren. […] Soms is deze wens van het kind niet authentiek, omdat de thuiswonende ouder op basis van al dan niet expliciet afgedwongen loyaliteit het kind beïnvloedt, zeker wanneer deze ouder zijn of haar scheiding nog niet heeft verwerkt.”

De Rotterdamse kinderrechter Jolien Bogaards ziet in de praktijk regelmatig gebeuren „dat gezinsvoogden zich geen raad weten met ouders die elkaar de tent uitvechten”. „Gezinsvoogden werken doorgaans met gezinnen waarin ze veel kunnen bereiken met regels stellen”, zegt ze. Relatieproblemen zijn van een heel andere orde. „Het is wat anders of je iemand vraagt of hij voldoende stofzuigt dan om mensen te verzoeken zich niet als een ruziënd stel te gedragen.”

Volgens Bogaards proberen gezinsvoogden dan maar ‘rust’ te creëren, wat er meestal op neerkomt dat de kinderen een van beide ouders niet meer zien, of zo min mogelijk. „Want dan ben je het conflict kwijt. Terwijl het voor het kind en de andere ouder helemaal geen oplossing is.” Als de partijen na een half jaar of een jaar terugkomen bij de rechter, blijkt vaak dat de ‘oplossing’ niet heeft gewerkt. Bogaards: „Dan probeer ik terug te keren naar het onderliggende probleem en die ouders alsnog naar een mediator te krijgen. Maar dat is moeilijk, vaak zijn ze dan al ingegraven in hun schuttersputjes.”

Volgens Bureau Jeugdzorg is de opleiding van de medewerkers al aangepast. Erik Gerritsen van Bureau Jeugdzorg Amsterdam: „De afgelopen twee jaar zijn onze mensen zwaar getraind om ouders bewust te maken van het effect van hun ruziegedrag op hun kinderen.” Ook leren gezinsvoogden in hun opleiding gedrag te herkennen dat kan duiden op een psychiatrische aandoening, verslaving, of een licht verstandelijke beperking. „Bij de bespreking van complexe zaken is bovendien een gespecialiseerde gedragswetenschapper aanwezig. Die kan zeggen: heb je eraan gedacht dat mevrouw misschien een depressie heeft?” Vervolgens kan het natuurlijk nog altijd zo zijn, zegt Gerritsen, dat ouders specialistische hulp afwijzen, of dat een van de ouders een stoornis heeft die haast niet te herkennen valt, ook niet voor psychiatrisch onderlegde medewerkers.

Ervaringsdeskundige Pieter vindt dat bij vechtscheidingen al in een vroeg stadium veel meer dwang moet worden toegepast, om een slepende zaak met veel leed voor de kinderen en wanhoop bij de ouders te voorkomen. „Het gaat fout als een van de partijen met een vechtadvocaat begint”, zegt hij. „Die haalt alles uit de kast voor een slechte beeldvorming van de ander bij de rechter, zodat die vervolgens ook een advocaat moet nemen. Maak dan nog maar eens een ouderschapsplan. Rechters moeten het zover niet laten komen. Ze zouden mensen direct moeten doorverwijzen naar een mediator die bevoegd is om alles te regelen.”

Maar dat is nu net iets wat rechters niet kunnen. „De rechtbank kan mediation wel adviseren maar niet afdwingen”, zegt kinderrechter Flinterman. Advocaat en mediator Petra Slingenberg denkt dat het ook weinig op zou lossen. „De kans van slagen bij verplichte mediation is vele malen kleiner dan wanneer mensen er zelf voor kiezen.”

Met medewerking van Elsje Jorritsma