Zielpeuren bij de pleinbewoners

In haar tweede roman stuurt Daphne Huisden een auteur op pad op zoek naar stof voor een roman. In een buurthuis treft hij een scala aan personages aan.

Hoe zelfbewust kan een schrijver zijn? Alleen al de titel van het debuut van Daphne Huisden, Alles is altijd fictie (2010), getuigde van het besef van de verzinsels die onze wereld vormen.

Haar tweede roman Dit blijft tussen ons opent met de schrijver Samuel Cohen, die nogal te lijden heeft onder ‘de schrijver die hij dacht te zijn’. Dat is een romantische schrijver van weelderige fantasieverhalen, die Sam achtervolgt met allerhande verwachtingen over de roman die hij zou moeten schrijven, maar die voorlopig nog geen alinea lang is. De schrijver moet zijn ‘nietsvermoedende lezers’ meevoeren ‘dwars door het diepe binnenland (van waar dan ook)’ en hij moet ‘de regisseur van hun verbeelding’ zijn.

Deze schrijver moet op z’n tijd een slachtoffer maken onder zijn personages, om de lezers bij de les te houden, maar stelt hen even later gerust. Waarna ze hem weer aandachtig beluisteren, ‘met een kopje lauwe thee binnen handbereik’. Samuel komt er niet uit. Maar zo’n roman is dan ook de dood in de pot, lezen we tussen de regels.

In die woorden van de jonge Daphne Huisden (1988) resoneert een aantal recent ingenomen standpunten over de toekomst van de roman. Heilloos is die vermaledijde ‘well-made novel’, waartegen Marcel Möring vorig jaar van leer trok: weg met ‘dat staaltje knappe literaire timmermanskunst’! En zoek het ook alsjeblieft niet in onderwerpen over de grens, in ‘pseudokosmopolitisme’, betoogde Oek de Jong pas nog, want ‘het beste schrijf je toch over wat je het beste kent’.

Dat idee volgt Samuel op door de deur uit te gaan, op zoek naar stof voor zijn roman – en het dicht bij huis te zoeken: een paar deuren verder stapt hij naar binnen in huiskamercafé annex buurthuis De Windhoek, het bruisende hart (nou ja) van het Plein van Weltevreden.

Daar begint hij te peuren in datgene wat zijn buren voor zichzelf willen houden. Er wordt breeduit gekeuveld en gebabbeld, maar niemand toont het achterste van zijn tong. Dat houdt de gemoederen rustig. Ze houden de schijn op dat ze elkaar helemaal niet voortdurend bespioneren, maar die vreedzame coëxistentie van de pleinbewoners is broos.

Ondertussen broeit er van alles, toont Huisden, door telkens van perspectief te wisselen. Behalve met Samuel kijken we mee met de paranoïde onheilsprofeet Simon, het eenzame jonge wijsneusje Oscar, Leander met een agressiviteitsprobleem, diens broer Manuel die lucratief heler is, de infantiele Emiel en zijn echtgenote Martine, die hem bemoedert alsof hij een kleuter is. Enzovoorts, enzovoorts. Huisden maakt het zich niet gemakkelijk door van de zestien (!) bewoners allemaal personages te willen maken.

Fictieve werkelijkheid

Dit blijft tussen ons heeft daardoor soms de onstuimigheid en de ambitie van een debuut, zo véél is het – en het bleek net te veel voor de schrijver, want er wonen nogal wat karikaturale personages aan het plein, waarvan enkelen ook niet zo gek veel toevoegen aan het grote verhaal. Ja, die veelheid van perspectieven laat zien dat iedereen er een fictieve werkelijkheid op nahoudt, maar ja: die notie is ook de eerste die je mag verwachten in zo’n mozaïekroman.

‘Maar dit kon natuurlijk niet goed blijven gaan. Er waren te veel toeschouwers, te veel ontevreden idioten met misgunnende vingertjes,’ zegt Jozias, die van alle personages nog het interessantst is. Hij is een wat mopperige oude allochtoon (maar al jaren ingeburgerd) die zelden zijn balkon verlaat en daardoor nauwelijks deelneemt aan het gekonkel op de begane grond. Te midden van alle fantaserende roddelaars lijkt hij de enige met een zuivere blik, die van de (relatieve) buitenstaander.

Hij mag dan cynisch doen over de zwijnenstal die zijn huisgenoot van hun woning maakt (‘De afwas begint zelf zijn weg naar de buitendeur te vinden’), maar je bent geneigd hem te geloven en gelijk te geven als hij zich als observator manifesteert: ‘Ze waren hier niet opgewassen tegen de ongemakken van het bestaan. Bij het minste zuchtje tegenwind gingen ze jammerend tegen de vlakte. [...] Het waren navelstaarders, devote individualisten, ieder voor zich, op zoek naar dat mysterieuze en unieke vonkje dat ergens diep in hun binnenste schuilde.’ Het is niet toevallig dat hij naar beneden tuurt terwijl hij doet alsof hij Machiavelli’s De Heerser leest.

Met zijn scherpe waarnemingen dreigt Jozias Dit blijft tussen ons nog een maatschappijkritisch kantje te geven, maar voor het écht gaat snijden schakelen we weer over naar een ander, oppervlakkiger personage en wordt het toch weer ongevaarlijk.

Daar had dus meer in gezeten, want eenduidig is het niet. De roddelende pleinbewoners vieren namelijk wél elk jaar een kinderlijk aandoenlijk buurtfeest, een gezamenlijk verjaardagsfeest waar geen buitenstaanders komen en waarvoor ze lootjes trekken en cadeautjes voor elkaar kopen. Het gekonkel versus de saamhorigheid – van die (typisch Nederlandse?) paradox en dat broze evenwicht hadden we een net wat diepgravender onderzoeking gewenst. Nu krijgt het verhaal spanning doordat er een wissewasje uit de hand loopt: tja. Hitchcocks spionerende-burenfilm Rear Window was spannender én scherper.

Dat je toch welwillend terugkijkt op Dit blijft tussen ons, komt door Huisdens stijl. Ze schrijft in smeuïg barokke, maar ook volstrekt heldere zinnen. Ze schrijft even gemakkelijk de spierballentaal van jonge haantjes als de kappersmonologen van dommige huisvrouwen, en het taalregister van het eenzame jongetje gebruikt ze even overtuigend als dat van de paranoïde Simon met zijn verrekijker. Huisden kan veel, voor één roman eigenlijk te veel.

Taalregisters

Misschien worstelde Huisden met de schrijver die zij dacht te zijn. Misschien daagde die haar uit om alle taalregisters ineens te bespelen, maar eiste die tegelijkertijd dat de roman één verhaal werd, een eenheid. Met als resultaat dat het knappe literaire timmermanskunst is geworden, want het verhaal klopt en rammelt niet, maar de constructie lijkt zo veel van de schrijfster gevergd te hebben dat de inhoud eronder heeft geleden. Het mag meer de diepte in. Als ze dat doet, is Daphne Huisden een schrijfster van wie met alle vertrouwen kunnen zeggen dat haar beste boek nog komt.