'Waar ik kom, is alles altijd ver'

Reisschrijfster Carolijn Visser kreeg voor haar Argentijnse avonden de Bob den Uyl Prijs. Voor het eerst schreef ze een boek waarin ze niet zelf aanwezig is. „Ik ben een andere richting ingeslagen.”

Carolijn Visser, Leidse van geboorte, Zeeuwse van kindsbeen, Amsterdamse van domicilie, woont de helft van het jaar elders op de wereld. Zo zat ze een jaar of acht terug in Buenos Aires en schreef aan het boek dat Miss Concordia zou gaan heten: portretten van vrouwen wier levens door de geschiedenis op hun kant waren gezet. Geweldige stad, vond ze. Los daarvan hoopte ze, als altijd, dat haar verblijf „tot iets” zou leiden. Dat ‘iets’ is in haar geval materiaal voor een nieuw verhaal. Carolijn Visser is schrijver en de werkelijkheid is haar terrein.

Ze hoorde dat er 600 kilometer zuidelijker, in het dorp Tres Arroyos, een Nederlandse gemeenschap zou zijn. Ze ging eens kijken. Je weet maar nooit.

Het klopte, van die Nederlanders. De honorair consul, de toen 66-jarige mevrouw Ida van Mastrigt, leidde haar rond en nodigde haar uit voor thee in de tuin. Het gesprek kwam op vader Van Mastrigt. Rinus. In 1937 fietste hij van Rotterdam naar Nederlands-Indië (ja, hij fietste), iedere cent sparend voor het nieuwe leven dat hij wilde beginnen. In totale verwarring door de onverwachte losbandigheid van zijn echtgenote aldaar, zwierf hij verder over de wereld. Ten slotte vestigde hij zich in Argentinië met zijn twee kleine dochters, van wie Ida van Mastrigt er eentje is.

Die haalde nu een tas met brieven tevoorschijn. „Ze zat blijkbaar te wachten op iemand die dat allemaal eens wilde lezen”, zegt Carolijn Visser. „En toen kwam ik voorbij. Ik nam de tas mee, las die brieven en ik dacht, dat is een boek.” Ze schreef het: Argentijnse avonden. De hartverscheurende familiegeschiedenis van Rinus leverde haar vorige week de Bob den Uyl Prijs op, voor het beste journalistieke reisboek.

Aanvankelijk legt je boek de sympathie bij Rinus. Maar dat blijft niet zo.

„Zo ging dat bij mij zelf ook. Eerst was ik gegrepen door de avontuurlijke geest van Rinus en zijn doorzettingsvermogen. Later vertelde Ida dat zij en haar zusje geslagen werden. Rinus bleek een heel moeilijke, impulsieve man te zijn geweest, met grote gevolgen voor iedereen.”

Hij emigreert, maar toch… Die fiets. Dat arbeidsethos. Die weerzin tegen alles wat vrouw is, inclusief zijn eigen dochters.

„Eigenlijk is dit een boek over Nederland, ook al is iedereen voortdurend op reis. Naar Nederlands-Indië. Naar Rotterdam. Naar Argentinië. Van Tres Arroyos naar Buenos Aires en terug. Voor Nederlanders moet de samenleving goed functioneren, anders raken wij ontregeld. En Nederland blijft altijd het ijkpunt.”

En voor jou? Jij reist ook altijd.

„Ik ben veel weg uit Nederland, en ik kom altijd terug. Wel ben ik aan de rand van de Nederlandse samenleving terechtgekomen, maar dat zit ook in mijn aard. Ik ben opgegroeid in Middelburg. Mijn ouders hadden jaren in Indonesië gewoond en mijn vader was socialist. Dus waren we ‘anders’. Onze zwaar gereformeerde omgeving trad ons vriendelijk tegemoet, maar we hoorden er niet bij. Al jong wist ik: ik woon hier wel, maar ik ga hier weg. Eenmaal in Amsterdam dacht ik: het maakt bar weinig verschil.”

In Amsterdam scheef Visser haar eerste verhalen. Over haar werk als fabrieksmeisje. Over de strak aangehaalde marxistische normen in het studentenleven in de jaren ’70: „Je mocht niks, je moest van alles en alles ging in groepsverband. Het was of ik op avontuur was in een bizar land. Ik schreef het op: zo, dat staat op papier, nu op naar het volgende hoofdstuk. En zo doe ik het nog steeds.”

Vroeger was de toekomst beter heet de bundel van je verhalen uit de jaren zeventig.

„Het was een vreemde tijd. Er werd zo gemakkelijk over de toekomst gesproken. Als we maar gehoorzaam achter de idealisten aanlopen bereiken we binnen afzienbare tijd het paradijs, was het idee. Ik bleef op een afstandje en beschreef wat ik zag. Ik schreef over gemengde huwelijken: met Turken en Marokkanen getrouwde vrouwen kregen een cursus waarin ze leerden hoe ze geen klappen zouden krijgen. Dat vond iedereen de normaalste zaak van de wereld. Mij verbaasde het hogelijk.”

Toch was je een kind van je tijd.

„Maar opgroeien in Zeeland scheelde. En mijn vader leerde me om een eigen kijk te hebben. Om te twijfelen. Om vragen te stellen. Ik zat met hem televisie te kijken toen Jack Ruby werd neergeschoten. Ik was klein, wist ik veel wie Jack Ruby was. Maar ik zag mijn vader opspringen, hij schreeuwde: ‘Dit is een aanslag op de Amerikaanse democratie!’ Zoiets blijft je bij. We gingen samen aanbellen bij een man, een Afrikaan, om te vragen of hij een zeeman was, want hij was telkens drie maanden weg. We mochten naar binnen, in een huis vol snuisterijen, ik herinner me een olifantspoot als poef. Wat ik nu doe ligt in het verlengde daarvan.”

Vissers reizen leverden een oeuvre van ruim twintig boeken op, vol persoonlijke ervaringen in bijvoorbeeld China, Vietnam, Tibet, Estland.

Je lijkt een verstekeling in andermans bestaan.

„Ik vind het spannend om verschillende levens te leiden, op verschillende plaatsen. Ik deel mijn leven met mensen die volslagen anders denken dan ik gewend ben. Zo dwing ik mezelf om steeds opnieuw te bedenken wat ik vind. Dat is niet altijd makkelijk. In China ging ik soms op zoek naar vriendelijkheid.”

Je bivakkeert vaak bij mensen thuis. Je logeert. Een Nederlander gaat altijd naar huis...

„...vóór het avondeten. Maar waar ik kom, is alles altijd ver. Het wordt donker en morgen moet er nog wat besproken worden. Dus ik blijf. Logeren is efficiënt, ik kom beter tot de kern van een verhaal. Ik hoor veel. Ik word wakker en zit meteen weer in mijn onderwerp. Ik vind de intimiteit van logeren zwaar, soms. Maar ik wíl het doen.”

Hoe krijg je de mensen aan de praat?

„Door mijn oprechte belangstelling voor wat hun overkomen is. Dat maken mensen zelden mee. Zo’n boek is geen eenrichtingsverkeer, de verhalen gaan over en weer. Ida van Mastrigt kent mij nu goed en die mensen in Estland ook. Ik houd met allemaal contact en zij met mij. In Tibet trok ik lange tijd op met een Tibetaanse. Ze werd een dierbare vriendin.”

Je doet dit dertig jaar. Je wordt ouder, maakt dat verschil?

„Op de grond slapen en zo, bedoel je? Daar ben ik aan gewend. Ik merk wel dat ik liever lange tijd op één plaats blijf. En ik besef beter dat mensen door hun verleden worden bepaald en dat je ze veel dingen niet kwalijk kunt nemen. Was ik jonger was geweest dan had ik minder geduld voor Rinus van Mastrigt kunnen opbrengen. Ik ben zekerder als schrijver geworden, dat is ook winst.”

Nu kreeg je de Bob den Uyl Prijs.

„Daar ben ik zo ontzettend blij mee. Het voelt als wind mee, temeer omdat erkenning is voor een boek waarmee ik een andere richting ben ingeslagen. De compositie is die van een roman, daar vroeg het verhaal om, maar dat had ik eerder niet gekund. En voor het eerst kom ik er zelf niet in voor.”

Miste je jezelf niet, toen je dat boek schreef?

„Nee. Helemaal niet. In mijn andere boeken maakte ik zelf mee wat ik vertelde. Dus daar moest ik zelf in voorkomen. Dit verhaal was anders. Ik kon er niet in, want ik was geen personage in dit verhaal.’’

Rinus zou als fictieve figuur onmogelijk zou zijn. Te mooi om waar te zijn, te schilderachtig.

„Ik aarzelde bij het schrijven van Argentijnse avonden. Intussen werd de fabriek van Rinus verkocht en er kwam wéér een doos correspondentie tevoorschijn. Brieven over zijn bedrijf en zijn schulden. En een briefwisseling met een vrouw met wie hij een relatie probeerde aan te knopen. Hier had ik op gewacht, nu kon ik beginnen. Rinus bewaarde alles. Ida ook. Ik ook, ik ben een bewaarder. Vroeger niet. Wij waren thuis altijd heel veel kwijt. Paspoorten, brieven, alles leek te zweven. Ik heb moeten leren dat chaotisch zijn en reizen niet samengaan. Orde is noodzaak. Als je niet alles op orde hebt, kun je niet schrijven.”

Carolijn Visser: Argentijnse avonden. Atlas Contact, 254 blz. € 19,95