Thorbecke had de tijdgeest mee

In korter bestek dan menig collega razen een staatsgeleerde en historicus door 150 jaar parlementaire historie. Toch voel je dat razen geen moment, dankzij analyserende reflecties.

De beschrijving van de Nederlandse parlementaire geschiedenis kent zo zijn eigen geschiedenis. In 1977 – 36 jaar geleden dus – kwam onder auspiciën van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen het eerste deel uit van een reeks imposante boeken die de naoorlogse parlementaire geschiedenis van Nederland behandelde. Beide auteurs, staatsrechtgeleerde Frans Duynstee en historicus Jacques Bosmans beschreven in 756 pagina’s het kabinet-Schermerhoorn-Drees dat tot aan de eerste naoorlogse verkiezingen van 1946 een kleine dertien maanden had volgemaakt. Komende december wordt het negende deel uit serie verwacht. Het beslaat de periode van het kabinet-De Jong (1967-1971).

Het probleem is duidelijk: in 36 jaar tijd is men in de verslaglegging van de parlementaire geschiedenis 25 jaar verder gekomen. Het onderzoek naar de kabinetten duurt langer dan die kabinetten regeerden. Er dreigt een oneindig project waarbij de historici steeds verder achterop raken.

Daar was het Centrum in Nijmegen zich jaren geleden ook van bewust. Prachtig archiefmateriaal dreigde letterlijk te vergelen. Daarom is toen gekozen voor ‘tussenprojecten’. Zo schreven onderzoekers Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer in 2001 een biografie van Piet de Jong die in 2011 nog werd geactualiseerd. Dezelfde Merriënboer tekende in 2008 samen met Peter Bootsma en Peter van Griensven, ook onderzoekers, voor de biografie van Dries van Agt. Ook dit boek kan beschouwd worden als een voorloper van de beschrijvingen van de kabinetten-Van Agt die nog in aantocht zijn.

Het project uit Nijmegen is monnikenwerk. Temeer daar, zoals Duynstee en Bosmans al in hun eerste deel stelden, de geschiedenis zich niet kan beperken tot louter de ontwikkelingen aan het Binnenhof. Zij behandelden daarom naar eigen zeggen ook ‘de historische context’ waarbinnen ‘het parlementaire gebeuren zich heeft afgespeeld’. Met als gevolg dat de Nijmeegse serie het standaardwerk van Lou de Jong over Nederland en de Tweede Wereldoorlog qua planklengte nu al nadert.

P.J. Oud koos met zijn in 1947 verschenen zesdelige parlementaire geschiedenis van 1918 tot 1940 (Het jongste verleden) voor een iets bescheidener aanpak. Hij begon ermee in 1941, nadat de bezetter hem als burgemeester van Rotterdam had ontslagen. W.J. van Welderen baron Rengers, die in 1891 begon met de publicatie van zijn standaardwerk over de parlementaire geschiedenis sinds 1849, was weer ruim aan de maat. Tegen deze achtergrond is De eerste honderdvijftig jaar, de door de staatsrechtgeleerden Joop van den Berg en de in 2011 overleden Jan Vis geschreven, vuistdikke (786 pagina’s) parlementaire geschiedenis van 1796 tot 1946, haast een novelle. Vergeleken met de al bestaande monumentale werken razen zij door de parlementaire geschiedenis. Maar zo voelt het geen moment. De journalistieke wortels van beide auteurs tonen zich duidelijk; ze scheiden helder hoofd- en bijzaken, wat de leesbaarheid zeer ten goede komt.

Wat niet wegneemt dat dit ook niet direct een boek voor op het nachtkastje is. Het is voor de (beperkte) groep geïnteresseerden een zeer welkome aanvulling op de redelijk ontoegankelijk geworden en deels vooroorlogse standaardwerken. Het boek van Van den Berg en Vis is zelfs meer dan dat, want door de nationale parlementaire geschiedenis al in 1796 te laten beginnen, in plaats van het doorgaans door de grondwetsherziening van 1848 gevormde gebruikelijke beginjaar, voegen zij een episode toe.

Longontsteking

Het was op 1 maart 1796 dat in de Bataafse Republiek in Den Haag het eerste parlement bijeenkwam. En wel in de zaal die tot in jaren negentig van de vorige eeuw dienst deed als plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer. Het gebeurde onder voorzitterschap van Pieter Paulus, leider van de Bataafse Revolutie, een naam die anno 2013 niet meer tot ieders verbeelding spreekt. Lang bekleedde hij het voorzitterschap trouwens niet, want op 17 maart overleed hij aan een longontsteking. De voormalige patriottenleider had er namelijk op gestaan een ceremoniële optocht in de snijdende kou blootshoofds af te leggen.

Prettig is dat beide auteurs ondanks de 150 jaar parlementaire geschiedenis die zij dienden te beschrijven,toch ruimte hebben weten in te bouwen voor analyserende reflecties. Onder meer over het belang van de liberale staatsman Rudolph Thorbecke. Zij concluderen dat diens rol bij de staatshervorming van 1848 – die van Nederland een echte democratie maakte – bescheidener was dan is aangenomen. Zij laten zien dat er al veel voorbereidend werk was verricht en dat er ook meer mensen dan Thorbecke bij waren betrokken. Vooral de bijdrage van de eveneens liberale Dirk Donker Curtius is onderschat, menen Van den Berg en Vis. Om in hedendaagse termen te spreken: Thorbecke had – de Franse Revolutie had al in 1789 plaatsgevonden – de tijdgeest ook wel erg mee. En, voegen ze eraan toe, Thorbecke had veel te danken aan de inschikkelijkheid van koning Willem II.

In elk geval hebben Van den Berg en Vis met hun ‘nadere beschouwing’ van Thorbecke voldaan aan de wens van hun verre voorganger Van Welderen Rengers die in zijn Schets eener Parlementaire Geschiedenis latere geschiedschrijvers opriep te boekstaven ‘welke blijvende vruchten’ de ‘bewonderenswaardige werkzaamheid’ van Thorbecke heeft afgeworpen.

Eigenlijk hadden ze zulke conclusies wel wat vaker mogen trekken. Zo wordt bijvoorbeeld sinds jaar en dag gediscussieerd over de betekenis van de bezuinigingspolitiek van de anti-revolutionair Hendrik Colijn. Toen Colijn in juli 1939 direct nadat hij zijn vijfde kabinet aan de Tweede Kamer had gepresenteerd wegens het gebrek aan een meerderheid alweer kon vertrekken, was dit het eind van zijn politieke carrière. Van den Berg en Vis beperken zich helaas tot de constatering dat hiermee ‘een heel tijdvak’ ten einde was gekomen.

Ze wilden in hun boek zo dicht mogelijk bij de feiten blijven. Maar dan wel bezien vanuit het heden. Dat levert ironische constateringen op dat ook in de achttiende eeuw het heil al werd gezocht in commissies, of dat er in die tijd ook al werd gelekt. Ook is er veel aandacht voor anekdotiek, zoals de woorden van de sociaal-democraat Piet Tak in 1905 over het eerste optreden van minister van Oorlog Henri Staal: ‘Die man heeft veel aanleg voor oud-minister.’

De reis door de parlementaire geschiedenis houdt op in 1946 bij de eerste verkiezingen van na WO II. De 72-jarige Joop van den Berg is vorig jaar met emeritaat vertrokken. Maar ondanks het overlijden van zijn mede-auteur Jan Vis is hij vast van plan hun gezamenlijk begonnen project te vervolmaken met een deel over de naoorlogse geschiedenis. Er is reëel uitzicht op een nieuwe co-auteur, aldus Van den Berg in het voorwoord. Dat tweede deel komt er dan gelukkig wel. En dat ze daarmee de geschiedschrijvers uit Nijmegen voorbij zullen snellen, lijkt nu al geen al te wilde voorspelling.