Column

Spoorzoeken

Als het over Parijs en niet-Franse schrijvers gaat, worden in reisgidsen altijd dezelfde voorbeelden genoemd. Hemingway, Fitzgerald, Joyce, Beckett, Heine, Wilde. Nooit lees je iets over grote schrijvers als bijvoorbeeld Saul Bellow of ‘onze eigen’ Willem Frederik Hermans en Rudy Kousbroek, die toch ook in Parijs hebben geleefd.

De sporen van Hermans in Parijs was ik al eens nagegaan, maar van Bellow en Kousbroek nog niet. In het geval van Kousbroek liet ik me inspireren door het hoofdstuk Bougnat uit zijn fotosyntheseboek Verborgen verwantschappen. Hij toont een foto van Doisneau van een café annex kolenhandel in de Rue de la Tombe-Issoire in het 14de arrondissement.

Kousbroek woonde zes huizen verderop in een appartement, waar hij „een paar van de meest bewogen jaren van mijn leven” doorbracht. Zijn oudste dochter werd er geboren. Lucebert schilderde op een muur een ‘schitterende fresco’ die door de eigenaar verwijderd werd. De kolenhandel waar Kousbroek zijn eierkolen kocht, bevond zich op nummer 49.

Mijn tochtje liep op een teleurstelling uit. Deze buitenwijk en genoemde straat bleken bijna geheel gerenoveerd. Van dat karakteristieke cafeetje was niets meer over, hooguit een vage overeenkomst in de gevel van de lage winkeltjes die er nu stonden. In welk huis Kousbroek gewoond moet hebben, bleef onduidelijk. Wel was er nog het viaduct van de metro die vlakbij het huis van Kousbroek „hoog over de straat rommelend voorbijging”.

In buitenwijken verandert meer dan in het oude stadshart, waar Saul Bellow zich in 1948 – iets eerder dan de Nederlanders – enkele jaren vestigde. Hij had werkkamers in het Quartier Latin (zoals in het nog steeds bestaande hotel l’Académie in de Rue des Saint-Pères) en hij woonde er met zijn gezin in ‘a cozy apartment’ op nr. 24 in de Rue de Verneuil, nog altijd een smalle, sjieke straat met datzelfde appartementengebouw. Bellow verbleef er dankzij een Amerikaanse beurs, hij kon royaler leven dan collega’s als Kousbroek en Campert.

Bellow genoot van zijn stadswandelingen, maar als schrijver voelde hij zich er aanvankelijk niet gelukkig. „Parijs was depressief, ik was depressief. Ik merkte dat het boek dat ik er zou gaan schrijven bezig was me te verstikken.” Hij had enkele traditionele romans gepubliceerd, maar wilde nu iets anders. Uiteindelijk lukte het: Parijs was de bakermat van zijn exuberante roman The Adventures of Augie March, waarmee hij wereldfaam zou verwerven.

Hij vond het Parijs van toen ‘somber, grimmig en druilerig’, maar toch trof de stad hem in het hart. „Voor een beschaafde, of zelfs enigszins beschaafde ziel was Parijs een permanent decor, een theater zo u wilt, waarin de grootste problemen van het bestaan kunnen worden uitgebeeld.”

Tegen het intellectuele leven dat hij er aantrof, had hij grote bezwaren. „Er was niets prachtigs aan het marxisme van Sartre en zijn volgelingen.”

Toen hij dertig jaar later even terugkeerde in Parijs, voelde hij teleurstelling. „Het meest onaangenaam word je getroffen door die massa’s kolossale gebouwen buiten de oude stadspoorten.” Ook een oude wijk als Passy herkende hij niet meer. Hij vond de stad duur en druk geworden. „Een zekere haveloze charme moet wijken voor onaantrekkelijke, overdreven dure en overdreven protserige nieuwigheid.”

Weer dertig jaar later denk ik: toch liever Parijs dan het paradijs, waar Bellow nu (misschien) zit.